De Wereld der Geesten
En de Staat van de Mens Na de Dood.
Inleiding: Wat is de Wereld der Geesten?
door Ds. Paul Booth
Vandaag zetten we onze lezingen over Emanuel Swedenborg voort.  Een van de Boeken die hij schreef, getiteld Hemel en Hel, bevat een gedeelte dat 'De Wereld der Geesten' heet.  Het inleidende hoofdstuk is getiteld 'Wat de Wereld der Geesten is'.  Het handelt over de Wereld der Geesten en de staat van de mens als hij na zijn dood die wereld binnengaat.

421. Er zijn twee werelden.  Die waarin wij leven, die de natuurlijke, stoffelijke wereld is, het zichtbare heelal, en de geestelijke wereld, die geestelijk en substantieel is, waar de Hemel, de wereld der geesten en de hel is.  Tussen de Hemel en de hel bevindt zich de wereld der geesten, waarin wij allen komen na de natuurlijke dood van ons lichaam, als ons natuurlijk leven eindigt.  Omdat er die twee werelden zijn, werd de mens geschapen met een natuurlijke en een geestelijke met de bedoeling dat hij zich zou verheugen in de Heer en de Hemel.  Alle gedachten, ideeën en gevoelens van de mens, al datgene dat hij liefheeft en de daarmede verbonden aandoeningen komen uit de geestelijke wereld in de natuurlijke.  Ze zijn substantieel en kunnen worden uitgedrukt in materiële bewoordingen.  Als het natuurlijk lichaam sterft, houdt het leven niet op.  Het gaat voort in het geestelijk lichaam, eerst gedurende een zekere tijd in de wereld der geesten en dan in de uiteindelijke bestemming van de mens, welke de Hemel of de hel is.  De gedachten en gevoelens, wat de mens heeft liefgehad en de aandoeningen die hij gevoeld heeft toen hij in deze natuurlijke wereld leefde, blijven bestaan en worden ook dan ervaren, maar intensiever dan tevoren, omdat ze niet langer opgesloten zijn in het natuurlijk lichaam.

In deze wereld is een mens in zijn natuurlijk lichaam en tegelijkertijd in de wereld der geesten in zijn geestelijk lichaam in een toestand (staat) midden tussen de Hemel en de hel.  De wereld der geesten is een gebied dat tussen de Hemel en de hel in ligt, maar in zijn natuurlijke staat is de mens zich hiervan niet bewust.  Als hij sterft en in de wereld der geesten komt, wordt hij, na een zekere tijd, óf opgeheven in de Hemel óf neergeworpen in de hel, naar gelang hij in deze wereld geleefd heeft.

Als er over de geestelijke substantie gesproken wordt, wordt daarmede bedoeld datgene dat uit de Heer God is.  Alles wat goed en waar is, wat uit de Liefde en Wijsheid van de Heer is, bestaat in de mens en blijft in hem bestaan.  Het is de wil van God dat in de mens zowel het goede als het ware zijn en dat de wil van de mens in overeenstemming is met de Goddelijke Orde.  De natuurlijke materie is in zichzelf dood.  Er wordt door de geestelijke wereld invloed op uitgeoefend en daardoor reageert ons lichaam op de geest binnenin ons.  Terwijl we over geestelijke substantie spreken, moeten we in éen adem over vorm spreken, want substantie is niets zonder vorm.  Als u onder de substantie het wezen van iets verstaat, is de vorm ervan het bestaan ervan.  We kunnen begrijpen dat de Heer Esse of Zijn is en Bestaan - het tot Ontstaan komen, dus de Schepper van alle geestelijke substantie en de vorm van alle dingen, zowel in de geestelijke als in de natuurlijke wereld.

422. Een mens komt in de wereld der geesten, doordat hij tijdens zijn leven hier op aarde in een toestand tussen de Hemel en de hel gehouden wordt.  De geest van de mens kan in deze toestand van evenwicht gehouden worden, doordat de boze geesten, die in de hel leven, door de Heer onderworpen zijn en de wereld der geesten alleen in zoverre met hun boosheden en valsheden kunnen teisteren als hun door de Heer wordt toegestaan terwille van de geestelijke ontwikkeling van een mens.  Anderzijds is er de invloed uit de Hemel in het gemoed van de mens.  Zo lang de mens in de natuurlijke wereld leeft, heeft hij de mogelijkheid de boosheden die hij ziet, te verwerpen en zich tot het goede te keren, dat wil zeggen, hij kan de liefde uit de Heer opnemen.  Dat is mogelijk doordat de Heer door de helse verzoekingen die Hij alle overwon, de mensheid verlost heeft.  De geest van de mens is dus in de wereld der geesten en hij gaat na zijn natuurlijke dood óf naar de Hemel óf naar de hel.  De mens gaat naar de Hemel als het goede en ware in hem met elkaar verbonden zijn, en hij gaat naar de hel als het boze en het valse in hem aan elkaar gekoppeld zijn.  Dit zijn de toestanden (staten) in het gemoed van de mens.  De toestand die in hem bevestigd wordt gedurende zijn leven in de natuurlijke wereld, zal maken dat hij nadat hij in de wereld der geesten gekomen is, opgeheven zal worden in de Hemel of neergeworpen in de hel.

Op deze manier wordt de mens in de vrijheid gehouden van de keuze tussen het ware uit de Heer te geloven en het goede te doen óf het valse uit de hel te geloven en het boze te doen.  Dit zijn twee lijnrecht tegenover elkaar staande bronnen, wier invloed het gemoed van de mens binnentreden.  De invloed die bevestigd wordt, bepaalt de geestelijke staat van de mens en beheerst daarmede zijn natuurlijke staat.  Als de mens enige staat bereikt heeft - hetzij een goede of een boze - heeft ze betrekking op zijn liefde, dus op zijn leven.  Na zijn aardse leven is zijn geloof en zijn naastenliefde, waar of vals en goed of boos.  De mens is dan óf in een staat van verdoemenis óf van hervorming óf van wederverwekking.  Hieruit is het duidelijk dat de staat van een mens bepaald wordt door zijn liefde, dus door de aandoeningen die hij gedurende zijn natuurlijk leven voor het goede of het boze gevoeld heeft.  Ik heb u eerder gesproken over de vorm die ontstaat uit het natuurlijke verstaan of begrijpen.  Als zodanig heeft het bestaan of de vorm betrekking op het inzicht van de mens, dus op zijn denken als geestelijk wezen.  Het natuurlijk lichaam is slechts een huis waarin de geest woont.  De geest is de werkelijke mens.  Er zijn verschillende vormen, afhankelijk van de opneming door de mens van hetzij de liefde en wijsheid des Heren - het goede en ware -, hetzij de verwerping ervan.  Welnu, een plaats hangt samen met de omgeving vanwege de toestand of staat van het leven van de mens.  De natuurlijke, wereldlijke omgeving waarin een mens zich bevindt weerspiegelt dikwijls niet iemands ware (geestelijke) staat, want in de natuurlijke wereld is het gemoed verdeeld en kan het schijnen dat iemand gelukkig is terwijl hij dat niet is, en omgekeerd.  Iemand kan in een huis wonen en alles hebben wat hij zou willen hebben of nodig heeft en toch ongelukkig, wanhopig of zelfs angstig zijn.  Hij/zij kan geestelijk in een boze of een goede staat zijn.

Maar in de Geestelijke Wereld, waar de Hemel, de wereld der geesten en de hel zijn, weerspiegelt de omgeving de staat van het gemoed van de mens.  Zij die in goede aandoeningen zijn, leven in een goede omgeving en zij die in boze aandoeningen zijn, leven in een boze omgeving.  Als de mens in de wereld der geesten komt, is hij zich niet langer bewust van de natuurlijke gedachten die hij in zijn uiterlijk geheugen bewaard heeft, maar de gedachten die hij in zijn innerlijk geheugen bewaard heeft, welke zijn ideeën en einddoelen geweest zijn toen hij nog op aarde leefde en welke derhalve toen door hem bevestigd zijn, blijven in zijn bewustzijn.
Wat bevestigd is, is wat de mens geloofd heeft en waarnaar hij gehandeld heeft toen hij nog in deze wereld leefde, hetzij wat overeenkomstig het goede en ware is, hetzij wat overeenkomstig het boze en valse is.  Het is de verbinding van het goede met het ware of de koppeling van het boze aan het valse, en omgekeerd, die maakt dat een geest goed of boos is, zich in een goed of een boos gezelschap bevindt, als hij in de wereld der geesten gekomen is.  Van daaruit gaat hij, als zijn voorbereiding voltooid is, naar de Hemel of naar de hel.

De meeste mensen verstaan onder 'goed' de omschrijving of kwalificatie van iets, zoals een goed reisje of een goede tijd of een goed thuis, enz. en onder de waarheid verstaan ze een feit dat vastgesteld of bewezen is.  Ik wijs u er echter op dat u het goede of het ware niet met uw natuurlijke ogen kunt zien, omdat het geen dingen van de natuurlijke wereld zijn, maar van de geestelijke wereld.  U kunt wel de uitwerkingen ervan in de natuurlijke wereld zien.  De Heer is het Fundament en het Einddoel en het Goede en Ware zijn de oorzaak, die, als ze met elkaar verbonden zijn, als de uitwerkingen gezien worden.  U kunt dus begrijpen dat als het goede en ware of het boze en valse de uitwerkingen zelf zouden zijn, de staat van de mens onveranderd zou blijven, of hij overeenkomstig het ware leefde en het goede deed óf overeenkomstig het valse (de leugens uit de hel) en het boze deed.

Terwijl de mens in de natuurlijke wereld leeft, is hij een natuurlijk mens, en als hij de wereld der geesten binnengetreden is, is hij een geest, een goede of een boze.  Dan is er in zijn gemoed in beginsel een verbinding van het goede met het daarbij behorende ware of een koppeling van het boze met het valse ervan.  Bijna allen die zich Christenen noemen, en wat dat betreft, velen die een andere godsdienst aanhangen, zullen zeggen dat God in hun hart en gemoed woont, met andere woorden, in hun wil en verstand.  Het goede kan inderdaad in de natuurlijke wil wonen en het ware in het natuurlijke verstand.  Maar ze behoren met elkaar verbonden te zijn.  Vanwege de zondige staat van de mens zijn ze echter verdeeld.  Wat de mens liefheeft en goed noemt, is lang niet altijd goed, maar vaak boos (slecht), omdat hij in de eerste plaats van zichzelf houdt of van wat van hem is.  Dat wordt de liefde voor zijn proprium of eigene genoemd.

423. Omdat de wil en het verstand van de mens het goede en ware kunnen opnemen, kunnen ze in zijn geest, in de wereld der geesten binnenin hem, met elkaar verbonden worden.  Zijn natuurlijk gemoed is echter slechts een omhulsel waarin zijn geest leeft.  Want het natuurlijk leven van de mens moet ondergeschikt zijn aan zijn geestelijk leven.  Maar het is de aard van de mens te willen heersen, zijn geest ondergeschikt te doen zijn aan zijn natuurlijke.  Op zijn gunstigst meent hij dat zijn geest pas actief wordt als hij dit aardse leven verlaat.  De wil van de mens en zijn verstand zijn geestelijk, zoals ik al zei.  Het ware of het valse dat het verstand binnengaat, vormt het dienovereenkomstig.  Een goed mens neemt de waarheden, die hij verstaat (begrijpt) op, omdat hij/zij ze gehoorzaamt, maar een boos (slecht) mens kan waarheden wel begrijpen, maar hij heeft ze niet lief en doet daarom wat boos (slecht) is uit een boze wil.  Zijn verstand blijft dus gescheiden van zijn wil, terwijl in de goede mens de wil en het verstand met elkaar verbonden worden.

In het verdeelde gemoed zijn de wil en het verstand van elkaar gescheiden.  In zijn verstand kan de mens denken over wat waar en goed is, en dat ook zien.  Maar hoewel hij/zij kan weten wat goed en waar is, wil hij het ware niet gehoorzamen en doet hij het goede niet.  Als de mens eenmaal het goede wil en het ook doet, vindt er een verbinding plaats en beweegt hij zich in de richting van een nieuwe geestelijke staat.  Het bewijs ervan kan zichtbaar worden in zijn natuurlijk leven, al kan een boos mens dit ook simuleren.

Als de mens ziet wat goed en waar is, maar het ware niet gelooft en het goede niet wil, heeft hij een verdeeld gemoed.  Dan is hij niet een mens zoals de Heer wil, dat wil zeggen, zoals de mens oorspronkelijk geschapen was.  Daarom moet hij wederverwekt worden.  Als de mens wel wil wat goed is, maar geen verstand heeft van wat goed en waar is, is hij ook niet een mens zoals de Heer dat gewild heeft.  Hoewel het verstand van een mens verheven kan worden tot geestelijk inzicht of geestelijke waarheid, is hij geen mens, als zijn wil of begeerte voor de dingen beheerst wordt door zijn eigenliefde.  Ook als de mens wel wil wat goed is, maar geen begrip heeft van wat waar is, mist hij het geestelijk inzicht en zal hij, wat hij wil, aan valsheden koppelen en niet verbinden met waarheden.  De mens eigent zich die valsheden toe, net als de mens die de Heer liefheeft, zich als uit zich het goede en ware toeëigent.

Als in het gemoed van de mens wel een verstand is van wat goed en waar is, maar geen wil om het te gehoorzamen en te doen, is het ware alleen in zijn geheugen en denkt hij daaruit.  Dan weet hij alleen wat waar is en put hij uit die wetenschap in gezelschap van anderen.  Hij kan denken en met anderen spreken en redeneren, gevoelens simuleren en gebaren maken die stroken met de dingen die hij wenst te bereiken, maar zijn wil is een andere dan zijn verstand.  Ze zijn in feite, wat hun oogmerken betreft, aan elkaar tegenovergesteld.
| About |
Site Content Copyright 2001 by The Lord's New Chapel All Rights Reserved
Site Concept and Creation Copyright 2001 by Stealth Media Solutions All Rights Reserved