Inleiding. Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom God de mens als man en vrouw schiep en waarom Hij het huwelijk tussen hen instelde? Is een huwelijk voor nog iets anders nodig dan om de aarde door voortplanting te bevolken? Vele landen beschouwen het gezin als een goede, sterke basis en hebben huwelijkswetten uitgevaardigd om het gezinsleven te beschermen. Alle godsdiensten prediken de heiligheid van het huwelijk van een man en diens vrouw en beschouwen het op z'n minst als een instelling die zowel zedelijk als burgerlijk noodzakelijk is. In de Geschriften van Emanuel Swedenborg worden deze vragen beantwoord. Die antwoorden zijn zo belangrijk dat ons leven zelf, ons geluk, ervan afhangt. We moeten geloven in het huwelijk als instelling en begrijpen wat het voor de gemeenschap betekent zodat het versterkt wordt en voorkomen wordt dat het in zedelijk en burgerlijk opzicht uitgehold wordt.
We beginnen met het uitgangspunt dat het huwelijk tussen een man en zijn vrouw tot de Goddelijke Orde behoort, net als alle burgerlijke en zedelijke wetten. In het huwelijk zien wij uitgebeeld hoe al het ware leven tot ons komt. Zonder een zodanig leven zijn we 'dood'. Ik zei 'het ware leven' om het te onderscheiden van het natuurlijke leven dat planten en dieren ook hebben. In de eerste plaats is er niets in de Hemel noch op de aarde waarin niet het huwelijk van het goede en het ware is. Die zijn altijd voortgegaan en gaan altijd voort uit het Goddelijke. In alle schepselen is er een doel, een nut, vanuit een goede. Niemand die bij z'n volle verstand is, beweert zomaar dat dit of dat dier kwaadaardig is, zonder op de klasse waartoe het behoort te letten. Er is niets wat meer noodzakelijk is voor de mens om te weten dan wat goed en wat waar is, want zij (het goede en het ware dat daarbij hoort) hebben elkander lief en maken éen als ze met elkaar verbonden zijn. Ik heb er in de 1e lezing, genaamd De Mensheid - De Ontwikkeling van Gods Tegenwoordigheid - de Kerk, op gewezen dat de ware Kerk de Tegenwoordigheid van de Heer in de mens is. Er is dus een betrekking tussen de goedheden en de waarheden die vanuit de Heer zijn en de mens in wie ze zijn, net als tussen alle dingen in de Hemel en in de wereld, want die zijn alle van en vanuit Hem.
Aangezien het tot de Goddelijke Orde behoort dat er een huwelijk zal zijn tussen een man en zijn vrouw, moeten het goede en het daarbij behorende ware met elkaar verbonden oftewel 'gehuwd' zijn en niet van elkaar gescheiden. Dat is ook waar met betrekking tot het huwelijk van een man en zijn vrouw, want in het huwelijk zullen zij tot éen 'vlees' zijn. Hoe ze éen worden zal later uiteengezet worden. Van alle hoedanigheden die er in het Goddelijke zijn, zijn het Goede en het Ware de belangrijkste. Deze zijn in het Goddelijke, dat God en van God is, niet verdeeld, maar éen. En ze zijn ook in de Hemel niet verdeeld. In de vereniging van het goede en het daarbij behorende ware wordt het Hemelse huwelijk uitgebeeld, want allen die in de Hemel zijn, zijn in het Huwelijk van het Goddelijk Goede en Ware. In het Woord wordt de Hemel vergeleken met een Huwelijk. De Heer, dat wil zeggen, God, wordt de Bruidegom en Echtgenoot genoemd, terwijl de Hemel de Bruid en Echtgenote wordt genoemd. Op die wijze is de ware Kerk bij ieder mens ook de Bruid en Echtgenote, want de Kerk in de mens neemt het Goddelijk Goede in de waarheden op welke zich in dat gemoed bevinden, net als de Engelen in de Hemel dat doen. Eenvoudig gezegd: het ware vanuit God dat we gaan weten en aanvaarden stelt ons in staat Zijn Goddelijke hoedanigheid van het Goede op te nemen en dat maakt de Hemel in ons, ook terwijl we nog op de aarde zijn.
Welnu, het is ons bekend dat ieder van ons een ziel en een geest heeft. Als dat niet zo zou zijn, zouden wij, mensen, niet van alle andere schepselen op aarde verschillen. Een andere manier om dat onder woorden te brengen is dat er binnenin ons een hemelse en een geestelijke graad is. Ons ware leven is daarin en daaruit hebben we inzicht en wijsheid als in ons het huwelijk van het goede en ware is.
In de mens zijn het hemelse en het geestelijke van elkander onderscheiden. De meeste mensen kennen ze niet anders en beschouwen ze niet anders dan als bedenksels die tot de godsdienst behoren, omdat ze hun nooit als 'wetenschappelijke feiten' onderwezen zijn. We zagen in de lezing, genaamd De Mensheid - De Ontwikkeling van Gods Tegenwoordigheid - de Kerk, dat de scheiding van het goede en het ware het gevolg was van de zondeval van de mensen van de Oudste Kerk, toen zij ophielden hemelse mensen te zijn, en later ook van het einde van de geestelijke staat van hen die tot de Oude Kerk behoorden. En toch zijn het het inzicht en de wijsheid die ons gemoed tot het receptakel (opnemende) van Gods goedheden en waarheden maken. In het gemoed van de mens die die goedheden en waarheden opneemt, bestaat zijn ware leven. Ons leven is vanuit het Goddelijke en de hoedanigheden van het goede en ware vloeiden oorspronkelijk als het ware in de gemoederen van de mensen in, waar de vermogens van hun wil en verstand waren. Toen werden die vermogens in de mens verdeeld, zodat hij niet langer werkelijk verstandig was (geen gezond verstand meer had). Alles in de mens heeft betrekking op de wil en het verstand, want het goede in de mens behoort tot zijn nieuwe wil en het ware behoort tot zijn nieuwe verstand. Die twee maken wat onze liefde en ons geloof is, want de liefde behoort tot het goede en het geloof tot het ware. Maar dat onderwerp zal in een volgende lezing behandeld worden.
U begrijpt ongetwijfeld hoe belangrijk het is te weten hoe de wil en het verstand bij ons éen gemoed vormen, net als het goede en ware, wanneer zij in ons met elkaar verbonden zijn éen waarachtig leven vormen, dat het Goddelijk Huwelijk wordt genoemd. De nieuwe wil van de mens is het Zijn of Wezen zelf van zijn leven, want wat een mens liefheeft, dat wil hij en doet hij. En zijn nieuwe verstand is zijn Bestaan vanuit dat Zijn of die liefde. We kunnen dan ook eigenlijk zeggen dat alleen zij die in het goede en het ware van de Heer zijn, wezenlijk een wil en een verstand hebben. Zij die in het boze en vandaar in het valse zijn, hebben feitelijk geen wil en geen verstand, maar in plaats van een wil (ten goede) hebben zij begeerten en in plaats van het vermogen om het ware te verstaan, hebben zij dingen die ze weten maar niet doen, en dwaze fantasieën die voortkomen uit hun begeerten.
De Heer heeft de mens als man of als vrouw geschapen. In elk van hen behoort er de verbinding of het huwelijk van het goede en het ware te zijn. En het is ook de bedoeling dat een man en zijn vrouw met elkaar verbonden worden in het huwelijk. Maar dat is alleen echt mogelijk als hun vermogens om te willen en te verstaan in ieder van hen en in hun beiden tot éen gemoed worden. Daarin ligt het waarlijk menselijke.
Het Gemoed
We hebben vastgesteld dat iedereen, of het een man of een vrouw is, een wil en een verstand heeft, en dientengevolge goedheden en waarheden kan opnemen. Zodoende kan hij/zij vanbinnen in een hemels huwelijk van het goede en het daarbijbehorende ware zijn, zodat hun gemoederen, waarin de Hemel is, éen geheel is. Waaraan denken we, als we nadenken over het menselijk gemoed? Zijn het niet de verschillende aandoeningen, gewaarwordingen en gedachten die in ons opkomen? U begrijpt ongetwijfeld dat elke gedachte van ons verband houdt met een aandoening, dus met de een of andere liefde. Onze gedachten zijn in wezen óf waar óf vals en onze aandoeningen, waaruit ze voortkomen zijn in wezen óf goed óf boos. De bestudering van de godsdienstige Geschriften van Emanuel Swedenborg leert ons, onder andere, over een hogere liefde, die 'de echtelijke liefde' heet. Net als in alle religies en wijsgerige stelsels wordt ons geleerd dat er verschillende soorten van liefde zijn: de eigenliefde, de liefde van broeders en zusters voor elkaar, de liefde van een man en een vrouw voor elkaar, de liefde van God en de naastenliefde. Wij leren dat de ware liefde, en dus ook de werkelijk echtelijke liefde, wat het zijne of het hare is met de ander wil delen en dat als er geen verbinding of huwelijk in een mens is van een goede en het daarbijbehorende ware er geen echt ware of echt leven in hem/haar is, hoewel er dan wel een natuurlijk verlangen, kennis en een schijnbaar leven kan zijn. We weten dat ons natuurlijke begrip van het huwelijk gebaseerd is op onze natuurlijke zintuigen. We weten immers dat er in ieder mens, als er een fysieke aantrekkingskracht en een verlangen daarnaar is, een streven is om met het andere geslacht verbonden te worden. Ik denk dat de meesten onzer ervaring hebben met een dergelijke neiging of liefde op een meer dan louter zintuiglijk vlak. In die liefde is een verlangen om ons leven met een ander te delen, in het bijzonder met onze man/onze vrouw. Daarin vinden wij vreugde. In die liefde weerspiegelt zich iets van hetgeen 'de echtelijke liefde' is; het is dat goede met het ware ervan dat in de hemelse en geestelijke regionen van ons gemoed moet wonen, en niet slechts in onze natuurlijke gevoelens en gedachten.