Het Witte Paard en de Ruiter zoals in het Boek de Openbaring (Deel 2) De Inwendige of Geestelijke zin van het Woord Onthuld
Er is leer of onderricht nodig om het Woord van God te verstaan want, tenzij iemand het Woord volgens de leer verstaat, is het als een kandelaar zonder licht, en degene die het leest blijft in duisternis en komt niet in de waarheid. Een oprechte mens, van welke godsdienst ook, gelooft dat wat hij leert de waarheid is, en wat in zijn Kerk geleerd wordt de ware leer is. Dus zou u zich kunnen afvragen, wat is het probleem of hoe wordt de ware leer bepaald? Want wat iemand als leer gaat begrijpen is wat volgens zijn kerk en het Woord wordt geleerd. Het probleem is dat, tenzij de leer uit een hemelse oorsprong is ontleend, het niet echt is. Zulk een leer die uit het eigen redelijke komt is volgens de natuurlijke, redelijke denking. En zoals we weten is de mens gescheiden van het Goddelijke en niet langer verenigd met de Heer. Dus is het doel van het Woord ons weer terug te brengen tot een relatie met God.
Is het niet in de Hof van Eden geweest dat God samen met de mens was en dat de mens door God geleid werd? Daar onderrichtte Hij de mens onmiddellijk of 'als het ware' direct uit Zijn liefde. Men zou kunnen zeggen dat het Woord binnenin de ziel, binnenin de wil en het verstand van de mens was. Men zou kunnen zeggen dat de mens toen perceptie had, dat wil zeggen, dat hij God kende en dus de waarheid kende. Deze is zeker de leer geweest die uit een hemelse oorsprong komt. Wel beschouwd betekent het woord 'paradijs' 'hemelse'. Waar God is, is er Liefde en Wijsheid, deze zijn Zijn eigenschappen. Bij de mens zijn deze het goede en het ware, dus was de kennis van het goede en ware bij de mensheid in die beginnende staat. Zoals we uit het verhaal over Adam en Eva weten, hebben zij, omdat zij verlangden uit zichzelf te leren, de kennis van goed en kwaad genomen of toe-geëigend (zij aten van de boom der kennis van goed en kwaad) en zijn dus uit de gratie geraakt en uit het Paradijs 'gevallen'. Zij wilden uit zichzelf 'intelligent en wijs' zijn.
Waar het om gaat is dat de mens niet langer de waarheid aanneemt of direct verstaat uit de Heer, dat wil zeggen, uit het hemelse dat de Hemel bij en in de mens maakt, maar slechts uit zijn eigen natuurlijke redelijke verstand, dat niet langer verbonden is met de Heer. Alles wat een mens nu aan kennis op gaat doen is volgens zijn eigen natuurlijke zintuigen welke hij van zijn hemelse en geestelijke leven gescheiden heeft dat voor hem gesloten is wegens zijn zonde. In feite, wanneer een mens, die slechts natuurlijke dingen kent volgens zijn natuurlijke zintuigen, het Woord leest, leert hij slechts natuurlijke dingen over God, en in 't gunstigste geval, formuleert hij wat de bedoeling is volgens zijn eigen natuurlijke verstand. Wij hebben gezien dat dit heel dikwijls tot valsheden en begoochelingen leidt, zoals dat God jaloers is, boos wordt, dat Hij vernietigt, tot de hel verdoemt, en veel meer.
In een eerdere leerstellige discussie hebben we de geestelijke of inwendige zin van de tekst in Openbaring 19: 11-16, die over het 'witte paard' gaat, geopend, maar niet over de Heer gesproken, behalve te zeggen dat Hij de Ruiter is. Tenzij hij toegang tot de wetenschap van overeenstemmingen tussen de Hemel en de aarde heeft, zal degene die deze tekst leest de betekenis van wat er gezegd is over de 'Ruiter' van 'het witte paard' (de Heer Jezus Christus) niet verstaan. Dus laten we nogmaals deze tekst lezen, in het bijzonder wat er over de Heer staat die 'als het ware' op 'het witte paard' rijdt:
&…; en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid (Openbaring 19: 11).
Hoe kan het dat de Heer Getrouw en Waarachtig wordt genoemd en in gerechtigheid oordeelt en krijg voert? Dit moet toch iets geestelijks betekenen of aanduiden. Als we zeggen dat iemand getrouw is, dan wordt hij als betrouwbaar gezien in dat hij getrouw aan zijn woord is. Dus in de natuurlijke zin kunnen we sommige dingen tot op zekere hoogte verstaan, zoals dat de Heer in gerechtigheid oordeelt en misschien dat Hij tegen het boze en niet tegen de mens krijg voert. Maar ook hier moeten we heel voorzichtig zijn en vragen: Voert God krijg zoals wij oorlog in de natuurlijke zin verstaan? Gaat Hij werkelijk in strijd en overmeestert Hij het boze? Hoe zou Hij dat doen? Wat er in hoofdstuk 19 verzen 11-16 van Openbaring staat, wanneer het letterlijk als waar wordt aangenomen, laat ons slechts verbeelden wat de bedoeling is. Wat er daar uitgebeeld wordt is een bloederig strijd welke toen in de toekomst door twee legers uitgevochten werd, waarvan éen leger het leger van de Heer is. Was dit niet wat sommige mensen dachten dat Jezus zou doen wanneer Hij Koning van Israël zou worden? Wilden zij niet de heerschappij van de Romeinen omverwerpen? Toen zij de wonderen van Jezus zagen, dachten ze dat Hij door Zijn macht de Romeinen ten val zou brengen en, daarop hopend, waren zij bereid Hem Koning van de Joden te maken. Wat de macht betreft, heeft Jezus na Zijn verheerlijking, na Zijn wederopstanding gezegd dat Hij alle macht over de Hemel en de aarde had. Dus als dit in de natuurlijke zin wordt verstaan, zou de mens kunnen denken dat dit gebeuren zal wanneer de Heer Zijn beloofde wederkomst maakt en als bewijs wijzen naar de verzen in Openbaring als iets dat in de toekomst gerealiseerd wordt.
In de tekst staat dat de Heer Getrouw wordt genoemd en dat Hij in gerechtigheid oordeelt. Ten eerste, heeft de Heer niet alleen voor het menselijk geslacht gevochten en heeft Hij dat niet uit de Goddelijke Liefde gedaan, die Zijn Liefde is voor het menselijke geslacht? Kan iemand zichzelf verlossen? Dus laten we dit onderzoeken. De komst van de Heer op aarde was in de menselijkheid van een mens, geboren uit een vrouw Maria, zo als wij geboren zijn. Dus leert men hier dat Hij niet Gerechtigheid (Rechtvaardigheid) geboren is, maar Gerechtigheid geworden is door de strijd tegen en de overwinningen over de verzoekingen die Hem toegelaten zijn. We moeten zien dat de Heer dit uit Zijn eigen macht doet. Hier zien we dan een voortdurende toename van Zijn gerechtigheid tot Hij puur Gerechtigheid of Rechtvaardigheid Zelf werd. Vergelijk dit met de mens die uit een menselijke vader is geboren, dat wil zeggen uit het 'zaad' van een menselijke vader. Wij zien dat wij slechts uit onze eigenliefde kunnen strijden en niet zoals de Heer, die uit Goddelijke Liefde strijdt. Wij kunnen onszelf niet verlossen.
In de Boeken der Profeten lezen we dat dit, zelfs vóor de Heer op aarde kwam, waar was. In Jeremia staat: In Zijn (de Heer) dagen zal Juda verlost worden, en Israël (de uitwendige Kerk) zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heer: onze Gerechtigheid(23: 6). En in Jesaja: DewijlHij zag dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm (eigen macht) heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm des heils zette Hij op Zijn hoofd (59: 16,17). Kunt u de Heer met succes de boosheden en valsheden zien verslaan toen ze Hem in deze verzen aanvielen?
We hebben al eerder gezegd dat wanneer wij het Woord van God, de Bijbel, uit een natuurlijk verstand beschouwen, wij slechts natuurlijke geschiedenissen van verscheidene mensen en tijden en de relatie met hun godsdienst en met God zien. Toch werd er gezegd dat het Woord ook een geestelijke zin heeft, binnenin verborgen en dat die hoofdzakelijk over de Heer, over de Hemel en over de relatie tussen God en de mensheid ging, en dat deze alleen vanuit de geestelijke zin gezien kan worden. Met de oprichting van de natie van de Israëlieten door middel van Abraham,wordt iets geestelijks bedoeld, en deze natuurlijke geschiedenis valt 'als het ware' weg. In plaats daarvan ziet of verstaat men iets over de Heer die gekomen is om de gevallen mensheid te verlossen. In de historische zin was Abraham hun vader, maar is het niet waar dat God hun ware Vader is? Dus betekent Abraham in de geestelijke zin iets over de Heer, een eigenschap of een staat, en het onderwerp hier is de Heer als Rechtvaardig zijnde of als Gerechtigheid wordende.
In het Woord in Genesis, hoofdstuk 17 lezen we dat Jehovah sprak met Abram en een verbond met hem oprichtte. Jehovah zegt tegen Abram dat Hij aan hem en aan zijn zaad (nakomelingen) het land waarin hij verkeert (Engels: land of his sojournings) zal geven: Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen (waarin u als vreemdeling verkeert) geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn (17: 8). Er wordt ons geleerd dat Abram deze reizen door heel Kanaän maakte. Maar dit is slechts een natuurlijke, historische begrip van de gebeurtenis. Wat heeft dit te maken met de Heer, wat zegt het over de Heer? Is het de bedoeling dat er hier over Abram wordt geleerd, iemand die in de oude tijden leefde, die trouw aan het geloof was dat hij rijkdom zou verkrijgen zoals een onbekende God die hij Jehovah noemde hem verteld had? Abram moet iets anders, iets geestelijks betekenen. Dit is niet de geestelijke zin van het Woord. Wat de geestelijke zin aangaat, betekent ooit een naam, van wie dan ook, de persoon zelf? Als dat zo was, waarom zou het dan zelfs nodig zijn de geestelijke zin te kennen, en zouden de engelen niet zoals wij in de natuurlijke zin verstaan? Dat zou echter tot allerlei begoochelingen en valsheden leiden. Dus laten we begrijpen en accepteren wat de Bijbel ons werkelijk wil onthullen de Heer opdat wij Hem gaan liefhebben. In de natuurlijke zin is dit erg beknopt en kan het, behalve natuurlijk, niet begrepen worden en schiet het te kort.
Neem bijvoorbeeld de naam Abram of Abraham. Zien de Joden hem niet als vader van hun geloof, zelfs van een verlossend geloof, dat zoals wij zouden moeten weten, alleen uit de Liefde van de Heer komt? Maar de Heer is toch de Vader van het ware geloof? De eigenschap van liefde is hemels en is iets dat daarom binnenin elk van ons is, zoals de Heer binnenin ons is. Is de Wijsheid niet de eigenschap die liefde leert zoals de liefde ons tot het geloof leidt en geestelijk is? Zijn deze dingen niet binnenin ons wanneer de Heer binnenin ons is? Omdat dit zo is, kunnen we begrijpen dat Zijn 'zaad' iedereen in het heelal betreft die in Zijn liefde is. U kunt zien dat we hier over de Heer Zelf spreken, in het bijzonder Zijn Menselijke wezen, en dus wat geestelijke bedoeld wordt is de Heer Jezus Christus. Dus Abram betekent Jezus; Jehovah die met Abram spreekt is het Goddelijke wezen, of, dat wat binnenin Jezus is als Zijn Ziel, die Hij Zijn Vader noemt. Dus is de Vader of het Goddelijke binnenin Hem zoals het 'zaad' van onze vader binnenin ons is.
Het is dus zo dat de Heer alle dingen door Zijn eigen macht verkreeg, dat wil zeggen door middel van zijn 'vreemdelingschappen' door geheel het land. Om dit duidelijk te maken kijken we nu naar de betekenis van 'vreemdelingschappen'. Ten eerste betekent het in een natuurlijke zin voortgaan of verhuizen naar een andere locatie, maar in de Hemel betekent het van de ene naar de andere staat voortschrijden tot het doel de Hemel is bereikt, of als het boze en niet het goede regeert de hel. Laat nu deze geestelijke waarheid betrekking hebben op de mens op aarde. Reist hij niet 'als het ware' naar zijn wederverwekking of verlossing wanneer hij het Woord van God volgt zoals Abram Jehovah moest volgen, die hem onderricht gaf in het aangesloten verbond met Hem. En dus werden de Israëlieten tot stand gebracht, en God was met hen in hun verstand en uitgebeeld in hun eredienst. Hierin zien wij de ontwikkeling van de natuurlijke Kerk bij de mens op aarde.
Aldus duidt 'vreemdelingschappen' onderricht worden aan en het ware leven zelf ontvangen. Daarom zien we dat de Heer Jezus Christus onderricht wordt in wetenschappen, in leerstellige dingen en in de kennis van het geloof zoals iedereen die tot de Heer en tot Zijn Waarheid keert en daar overeenkomstig leeft, dat wil zeggen die met Hem verbonden is. In dit geval, in Abram, zien we de Heer die alle dingen tot Zichzelf verkrijgt door Zijn eigen macht en dus die Zijn Menselijke Wezen met Zijn Goddelijke wezen verbindt, en omgekeerd Zijn Goddelijke Wezen met Zijn Menselijke Wezen. Hij verkreeg het goede en het ware. Aldus is Hij Gerechtigheid of Rechtvaardigheid zelf geworden en in feite kunnen we dit in Jesaja lezen: Wie is Deze, Die van Edom komt&…; Die voorttrekt in Zijn grote kracht? &…; Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; &…; Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm (macht) Mij heil beschikt (Jesaja 63: 1, 3, 5).
De historische persoon Abram is het gehele land, waarin hij verbleef, gegeven. Wat is het dat aan de Heer gegeven is? Wij behoeven slechts in Mattheüs 28: 18 te kijken om dat te zien: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Wij lezen ook in de Evangeliën dat de Vader Hem alle dingen die in de Hemel en op aarde zijn, heeft gegeven. In de geestelijke zin betekent dit dat de Heer de waarheid voor Zichzelf verkreeg, omdat Jehovah binnenin Hem was en in alles wat van Hem was. Hiermee kunt u begrijpen dat de gehele schepping uit God is Zijn Waarheid en Zijn Goede, dat wil zeggen, uit Zijn Liefde en Wijsheid. Deze zijn het wezen en het bestaan van de schepping, van het leven.
Ten slotte moeten we weten hoe het goede en het ware voor onszelf verkregen wordt. Hoe heeft de Heer deze dingen verkregen? Was het niet door krijg te voeren tegen de boosheden die Hem aanvielen toen Hij hier op aarde was, en door tegen de hem toegelaten verzoekingen te strijden, en de overwinningen daarover? Alles wel beschouwd, heeft het boze ons niet opgeëist? Zouden wij dan ook niet op die manier moeten strijden tegen de boosheden in ons leven? Door dit te onderzoeken zien we dat het gelijk is aan het innerlijke of het redelijke, dat wil zeggen de denking zou ons zeggen dat het redelijke, het lichamelijke, rustig en kalm zou moeten zijn en zich dus verzetten van dit of dat boze te doen. Wordt ons door de geboden van de Heer niet geleerd de boosheden te schuwen? In het geval van de Heer is het dezelfde voor zowel Zijn Redelijke en Lichamelijke, want zij zijn van dezelfde persoon, dat wil zeggen Hij en Zijn Vader (of Ziel) is een persoon, zoals wij lichaam en ziel zijn. We zien in dit alles dat de Heer Getrouw en Waarachtig is en dat hij daarom rechtvaardig oordeelt en rechtvaardig krijg tegen het boze voert en dus Zijn Koningschap op aarde terugvordert, dat wil zeggen hij maakt aanspraak op ons door Zijn Kerk in ons op te richten.