Men zou kunnen zeggen dat het grootste deel van het Oude Testament hoofdzakelijk bestaat uit de natuurlijk-historische feiten betreffende de Israëlitische en Joodse natie. Het beschrijft haar geschiedenis uit de Geestelijke Kerk vanaf het begin ervan uit de natie die de Hebreeuwse werd genoemd, uit haar verering van afgodenbeelden en aangaande alle naties temidden van welke zij woonde. De geschiedenis vertelt over hoe zij voortkwam uit Abram en zijn familie en een grote natie werd en uit Jakob wiens naam werd Israël. Een natie uit welke zekere mensen Mozes, en de profeten het Woord, het Oude Testament, schreven, opdat de mensen onderwezen over God en door Hem geleid zouden kunnen worden. Zolang die verbinding tussen God en de mens zou blijven bestaan, zou ze voorkomen dat de mens op aarde zou omkomen. Na de Israëlitische en Joodse Kerk stichtte de Heer de Christelijke godsdienst en Kerk door welke er opnieuw verbinding zou kunnen zijn van de mensheid met de Hemel en de Heer. In de lezing over de Oudste Kerk hebben we gezien op welke wijze de mens die eerste Kerk, de Oudste Kerk, werd, doordat hij door de wederverwekking in de tegenwoordigheid van God werd gebracht. We hebben gezien dat de tegenwoordigheid van het Goddelijke bij de mens in zijn binnenste of zijn ziel is, die de zetel is van het hemelse bij de mens. We hebben gezien dat de mensheid zich van Gods tegenwoordigheid afkeerde en in valsheden en boosheden verviel, toen zij 'als het ware' uit haar zelf of eigene begon te leven en de liefde en wijsheid van God ging verwerpen. We hebben ook geleerd dat God vanwege Zijn liefde voor de mensheid die liefde binnenin de mens bewaarde. Dit noemt het Woord 'de overblijfselen', die later te voorschijn gebracht konden worden, toen de geestelijke ontwikkeling van de mens het mogelijk maakte dat hij een beeld en gelijkenis van de Heer werd. In de lezing over de Oude Kerk zagen we het aan de dag komen op aarde van die Kerk wier Leer der Naastenliefde de mensheid weer vergemeenschapte en weer in verbinding bracht met God. Aldus werd het inwendige, het geestelijke, dat over zijn natuurlijke kon regeren en weer orde in zijn leven kon brengen, levend gemaakt worden.
Het werd ons duidelijk dat de Oude Kerk een uitbeeldende Kerk was, want de Heer was niet op dezelfde wijze in haar tegenwoordig als Hij dat in de Oudste Kerk geweest was. Hij was in haar tegenwoordig in de dingen van haar eredienst. En de leden van die Kerk zagen Hem in de gedaante van een Goddelijk Mens. Zij hadden ook geen perceptie of inwendig denken vanuit de Heer, waardoor ze wisten of iets wel of niet goed en waar was. In plaats van perceptie konden ze een geweten ontwikkelen, waardoor ze tot wat goed en waar was geleid konden worden. Op die manier kon de mensheid, zoals we zagen, in verbinding blijven met God en kon de Heer bij de mens zijn in zijn inwendige. Zodoende kon de mensheid indirect Zijn liefde en wijsheid opnemen. Dit geschiedde door middel van de wetenschap (het weten) van de overeenstemmingen; zij konden door volgens de echte waarheden die hun onderwezen waren en die zij dus wisten, te leven de hemelse en geestelijke betekenis van het Woord verstaan. Dit was noodzakelijk, omdat de mensheid zich van de liefde en wijsheid van de Heer had afgekeerd, zodat die voor haar gesloten was. Alles wat de mensen leerden was alleen maar uit hun eigen zelf, dat wil zeggen, was slechts natuurlijke kennis die zij met hun zintuigen opnamen. Het gevolg was dat de mensen de dingen vanuit hun eigene of proprium zagen en niet door middel van het hemelse en geestelijke dat vanuit de Heer bij hen was. Het werd ons duidelijk dat de mens van de Oude Kerk in verbinding en in gemeenschap bleef met de Heer en de Hemel, en zodoende voortschreed in zijn geestelijke ontwikkeling om een beeld en gelijkenis van de Heer te worden. De Oude Kerk verviel echter, net als de Oudste Kerk, in valsheden en haar leer der naastenliefde vervalste evenzeer als de leer der liefde tot de Heer in de Oudste Kerk veranderd was in een leer van liefde tot het eigene en tot de wereld. Op die manier kwam ook de Oude Kerk mettertijd tot een einde.
De volgende ontwikkeling van de Kerk op aarde leidde tot de staat van en in de mens, die de Israëlitische en Joodse Kerk wordt genoemd, de Derde Kerk. (Tussen haakjes, hoewel we de historische feiten van die twee eerdere Kerken in herinnering hebben geroepen, waarbij we de verdichte geschiedenissen die in de vier eerste hoofdstukken staan, hebben gebruikt, moeten we deze waarheden in hun inwendige zin beschouwen, met inbegrip van de geschiedenis van de Israëlieten en de Joden. We moeten dat echter doen uit een geestelijk historische zienswijze verstaan, dus, gezien in de geestelijk historische en niet in de natuurlijk historische betekenis. Met andere woorden, we moeten de Kerk en haar bestaan bij de mens in de inwendige of geestelijke zin ervan beschouwen. Historische feiten zijn uitbeeldingen en woorden zijn aanduidingen van hemelse en geestelijke dingen, dat wil zeggen, van God, de Hemel en de Kerk.) Waarover we hier dus in werkelijkheid spreken is de ontwikkeling van het besef van de bewuste tegenwoordigheid in de mens van de Heer en van Zijn vergemeenschapping en verbinding met Hem. Dat is een verbinding waarin de mens in een leven is dat niet ontwijd is door boosheden, een leven dat werkelijk rechtstreeks of onmiddellijk vanuit God is, en dat niet aangetast is door valsheden en boosheden uit de hel.
De voorstelling van waaruit ik spreek is dat de mens met God was; God is tegenwoordig bij de mens in diens geestelijke en hemelse staten. We zien dat in de eerste plaats in de Oudste Kerk. Die tegenwoordigheid was 'om zo te zeggen' verloren gegaan, vanwege de begeerte van de mens om zichzelf te regeren. Desniettemin zagen we dat het de vooruitgang of ontwikkeling van de mens was om tot een beeld en gelijkenis van de Heer te worden, dat hij door verschillende staten ging, uitgebeeld door de vier Kerken die op aarde verschenen voor er enige echte verbinding met God kon zijn. De mens was tenslotte geschapen als een vat waarin Gods liefde en wijsheid kon wonen. Hij /zij was geschapen met een natuurlijk lichaam dat een houder (vat) voor de Heer was, dat wil zeggen, voor Zijn goedheden en waarheden. Het is als het ware een bedekking of bekleding van het Voortgaand Goede en Ware van de Heer, waarin de mens waarlijk in vrijheid kan leven, waarin hij in vrijheid kan kiezen voor het goede en ware dat vanuit God is. God Zelf kan niet verdeeld worden. We hebben geleerd dat de mens geschapen is om in de Hemel te wonen en daar te genieten van en vreugde te scheppen in Gods tegenwoordigheid. Zo kunnen we ook verstaan dat de mens als uit zichzelf moet leven, maar tegelijkertijd moet erkennen dat hij van het leven dat hij van de Heer ontvangt, mag genieten, maar niet mag beweren dat het zijn eigen leven is.
Laten we nu weer terugkeren tot de Kerk die op aarde ontstond nadat de Oude Kerk ten einde gekomen was. In ieder van die vroegere Kerken was de Heer verschenen, had Hij haar geroepen en een verbond met haar gesloten. Hij formeerde haar tot een Kerk, opdat Zijn liefde oftewel goede en Zijn wijsheid oftewel ware de mensheid kon onderrichten en haar naar een staat kon leiden waarin ze verbonden was met de Engelen van de Hemel. Er was vanaf het begin van iedere Kerk en in iedere fase van de voortschrijding van haar een ontwikkeling van de verbinding met en de tegenwoordigheid van de Heer bij de mens. We zien dat Jehovah de mens tot die morgenstaat van de Kerk riep toen Hij hem gebood: Ga gij uit uw land (Genesis 12: 1). Zie naar wat ze uitbeelden en niet naar het natuurlijk-historische feit dat een mens Abram door Jehovah gezegd was dat hij zijn vaders huis uit moest gaan en naar het land moest gaan dat Jehovah hem zou wijzen. Dit is maar natuurlijke geschiedenis. Ze vertelt ons op zichzelf niets over God, de Hemel, of de wederverwekking van de mens. (Laten we ons daarom in het geheugen terugroepen dat namen in het Woord hoedanigheden en de aard ervan betekenen. In de geestelijk-historische zin betekent de naam 'Abram' de staat van de mens die geroepen is om een Kerk te worden. Het zou de staat kunnen zijn waarin u en ik gekomen zijn, want met het woord 'land' wordt in de geestelijke zin de Kerk bedoeld.) Wat betekent dit in de geestelijk-historische of inwendige zin? Iedereen die het Derde Testament leest zal zien dat in wezen vanaf het 12e hoofdstuk van Genesis in de inwendige zin de Heer erin geopenbaard wordt. Maar in de inwendige zin wordt ook de Kerk geopenbaard. Als we inzien dat de woorden in de inwendige zin een geestelijke betekenis hebben die anders is dan de betekenis in de letterlijke zin, wordt ons de ontwikkeling van de Kerk bij en in de mensheid duidelijk, want als de mens zich afkeert van de afgodendienst, wat in werkelijkheid het zich afkeren is van de zelfliefde en van de wereldse dingen, waarin hij genoegen had, keert hij zich naar God. In de lezing over de Oude Kerk is ons verteld dat de leden van die Kerk waren begonnen de beelden zelf te vereren en niet wat ze uitbeeldden, namelijk de Heer en Zijn goedheden en waarheden. Welnu, geroepen worden betekent tot een geestelijk leven geroepen worden. Per slot van rekening is de Heer God daarin bij de mens, en daarin is de verbinding van Hem met de mens en van de mens met Hem. Des mensen natuurlijke, of de natuurlijke mens, had, zoals ons onderwezen is, het bestuur van God over zijn leven verworpen, en het gevolg was geweest dat de zonde zijn intrede bij hem gedaan had. Het is de Heer die de mens uit zijn uitwendig lichamelijk en werelds leven, uit zijn boze leven, roept. Het huis van uw vader heeft betrekking op de staat van het gemoed, welke die was van het natuurlijk goede en niet van het geestelijk goede. We kunnen dat verstaan als we weten dat de woorden Ik zal u tot een groot volk maken (Genesis 12: 2) op de ware Geestelijke Kerk betrekking hebben, die het goede van het geloof is en dus het geestelijk goede, dat wil zeggen, het goede vanuit de Heer bij de mens. Zo kon de mensheid echte goedheden en waarheden leren en verstaan. De schepping van alle echte Kerken is vanuit de Heer, want Hij werkt daardoor voortdurend in de mensheid teneinde haar tot een staat te kunnen brengen waarin zij met Hem tesamen zal zijn, een staat van verbinding.