In de vier voorafgaande lezingen bespraken wij de Kerken die vanaf de schepping op aarde bestaan hebben. Daarin werd aangetoond dat er een geestelijke ontwikkeling is van de mensheid, in welke wij de Kerk des Heren, en dus de Heer bij haar tegenwoordig zien. De vier voorafgaande Kerken waren: de Adamitische, de Noachitische, de Israëlitische en de Christelijke Kerk. Dat waren de opeenvolgende staten van de Kerk in de gemoederen van hen in wie zij was en is. Als de tekst van het Oude en Nieuwe Testament alleen maar letterlijk wordt verstaan, leest men slechts over de kerken die in de historie hebben bestaan en niet over de ware Kerk in de mens. Laten we een kort overzicht geven van die staten. Ze tonen de ontwikkeling van de Kerk in menselijke gemoederen aan bij wie er vergemeenschapping was met God, die tot verbinding met Hem leidde.
Ten eerste was er de Oudste Kerk, de Adamitische. Bij de mensen van die Kerk was de Heer tegenwoordig in hun binnenste, hun ziel. Ook heden is de Heer daarin tegenwoordig bij de mens. Deze tegenwoordigheid van de Heer bij de mens in diens hemelse graad vindt ook heden nog plaats. De hemelse graad heeft betrekking op de liefde tot de Heer. De mens van de Oudste Kerk had perceptie van het ware dat van binnenuit tot hem kwam. Die eerste of hemelse staat werd de staat van de morgen of de staat van de kindsheid van de Kerk in de mens genoemd. Bij de ontwikkeling ervan, zoals die van een zuigeling die de dingen gaat leren en begint te spreken wordt de perceptie steeds minder. Het ware kwam steeds meer tot hem/haar door middel van de kennis die hij/zij van buitenaf opnam, dus door middel van zijn eigen verstand van wat hij/zij meende dat goed en waar was. We zagen dat bij Kaïn, die de 'eerste geboorte' was van de Oudste Kerk. De naam Kaïn betekent een man, den Jehovah. De onmiddellijke vergemeenschapping van de mens met de Heer kwam weldra ten einde. De mens van deze Kerk verkreeg de kennis aangaande het goede en ware zowel onmiddellijk vanuit God als door middel van zijn perceptie uit de Geestelijke Wereld. En hij verkreeg ze ook uit de natuurlijke dingen die hij door zijn verstand daarvan leerde. Op die laatste manier ontwikkelde zich de Kerk in de natuurlijke graad van die mens. De mens van die Kerk was als het ware in staat zijn/haar inzicht en wijsheid te vervolmaken. Er is ons geleerd dat die perceptie samenhing met zijn wil of liefde. De mens van de Oudste Kerk wist van hoedanige aarde de aandoeningen van zijn natuurlijke mens waren en heerste er dientengevolge over. Als de mens in en volgens de Goddelijke Orde leeft, heerst het geestelijke in hem en niet het natuurlijke. Dat is de betekenis van het feit dat Jehovah het gedierte des velds en het gevogelte des hemels naar Adam bracht om ze namen te geven. Maar die geestelijke perceptie werd steeds minder en ging ten slotte geheel verloren bij de mensen en daarmede ook de wetenschap van de overeenstemmingen en dientengevolge de vergemeenschapping en verbinding van de mensen met de Engelen des Hemels.
De staat van de mensen van de Oudste Kerk was veranderd. De Kerk in hen was niet langer hemels; hun ziel of binnenste sloot zich daardoor toe voor de Heer, want zij hadden Zijn liefde verworpen. Dientengevolge stichtte de Heer van de overblijfselen van die Kerk in de mensheid een nieuwe Kerk, een Geestelijke Kerk. De staat van de morgen van de Kerk in de mensheid werd de staat van de dag en de 'zuigeling' werd als het ware een 'volwassene'. Jehovah God had verlossing beloofd en in die staat werd de mensheid van buiten af oftewel door middel van zijn zintuigen onderricht, dus door middel van zijn natuurlijk verstaan van de Goddelijke Openbaringen. Daardoor schreed de mensheid in feite voort in haar geestelijke ontwikkeling. Zij kreeg inzicht, wat een geestelijke staat is en was weer bekend met de Heer, zij het door middel van met de zintuigen verworven kennis. De Oude of Noachitische Kerk had een aanvang genomen en begon zich te ontwikkelen. De mensheid was nu in een geestelijke staat, want haar hemelse graad was gesloten. In de Ark werden ook beesten binnengeleid. En beesten betekenen aandoeningen. Denk eraan dat ze zowel met de geestelijke als de natuurlijke aandoeningen overeenstemmen, dat wil zeggen, zowel met de liefde tot de Heer en jegens de naaste als met de eigenliefde en die van de wereld, want de wil van de mens beheerste toen zijn verstand en misleidde hem zodoende. Terwijl de Oudste Kerk oorspronkelijk in de liefde tot de Heer was, was de Oude Kerk oorspronkelijk in de liefde jegens de naaste en dat was toen haar leer en eredienst. In de staat van de Oude Kerk werden de mensheid geestelijke waarheden onderwezen en was haar leer die van de naastenliefde. Dat zien we uitgebeeld in 'de boog in de wolken oftewel de regenboog', waarvan in het Woord sprake is. Het licht van de Hemel is geestelijk. Licht stemt overeen met het ware dat vanuit de Heer voortgaat en Goddelijk is. Dit geeft ons enig begrip hoe de hervorming en wederverwekkiing van de mens door de Heer door middel van hemelse en geestelijke waarheden bewerkstelligd wordt. In die mens schijnen geestelijke, echte waarheden door natuurlijke waarheden heen. De natuurlijke waarheden worden daardoor doorschijnend. Er is ons geleerd dat in uitwendige waarheden inwendige waarheden verborgen liggen, want er is een overeenstemming tussen Goddelijke Waarheden en natuurlijke waarheden. Die overeenstemming was van het grootste belang in die Kerk en werd geleerd in 'de wetenschap der overeenstemmingen', welke toen de wetenschap der wetenschappen was.
In de derde lezing - die over de Israelitische en Joodse Kerk - hebben wij gesproken over de staat van de avond van de mensheid, haar verval en uiteindelijke verwoesting. De mensen werden niet langer door het geestelijke en inwendige geregeerd, maar werden geheel overheerst door hun eigen uitwendige en natuurlijke. De hemelse en de geestelijke staat, waarin de mensen de Tegenwoordigheid van God waarnamen en erkenden - de staat van de liefde tot de Heer en die van de naastenliefde jegens de naaste, bestonden niet langer in hen. De Israelitische en Joodse Kerk was een uitbeeldende Kerk en later de uitbeelding van een Kerk. Alle dingen met betrekking tot de staat van de Kerk in de mensen werden uitbeeldingen van hemelse en geestelijke zaken. Er werden aan de mensen die in die staat in het natuurlijke goede waren, alleen maar de meest uitwendige of natuurlijke waarheden onthuld. Zelfs die openbaringen gingen verloren en hun eredienst ging hoofdzakelijk uit offeranden bestaan. Daarom was het die Kerk verboden gesneden beelden, de gelijkenissen van iets, te maken. Zij hadden de Tien Geboden op twee stenen tafelen met Gods vinger beschreven, ontvangen en het werd hun toegestaan een Tabernakel en later een Tempel te bouwen, waar in het heilige der Heiligen de Ark met de Tafelen, waarop de Tien Geboden stonden, geplaatst werd. In die Tabernakel en Tempel hielden zij hun erediensten voor Jehovah, hun God.
Dat moest voor hen de woonplaats zijn van Jehovah. De reden waarom hun dat geboden werd, was dat zij niet tot afgoderij en magie mochten vervallen, zoals andere naties, met name de Egyptenaren. Ook deze kerk bij de mensheid en in de afzonderlijke mens kwam tot verval. Maar inwendig gezien was dit alles de voorbereiding van de Komst van Jehovah God op aarde en in de afzonderlijke mens voor zijn verlossing, wederverwekking en zaliging.
Toen er niets van de kerk in de mensheid overgebleven was, kwam de Heer Zelf op aarde en stichtte Hij een nieuwe Kerk die in de historische zin de Primitieve Kerk wordt genoemd. Later heette ze de Christelijke Kerk, maar zij was dit slechts in naam, want haar leden hadden de verering van de ene God veranderd in die van drie goden. Bij de eerste Advent of Komst van de Heer zag die kerk Hem als de God van Hemel en aarde in een Menselijke Vorm. Zij begreep niet dat ook Zijn Menselijke Goddelijk is. Terwijl de Heer op aarde was, onthulde Hij innerlijke waarheden van het Woord, van de Kerk en van de Eredienst door ze zijn discipelen en volgelingen te onderwijzen. Later werden ze opgeschreven en verzameld in het Nieuwe Testament. Op die manier kon door Zijn Komst in een mens het boze gescheiden worden van het goede. De leer die daarmede onderwezen werd, kon tot een leven dienovereenkomstig leiden. In de staat van de Christelijke Kerk in de mens werden hem zodoende Goddelijke Waarheden gegeven met betrekking tot de Heer Zelf, de liefde tot Hem en jegens de naaste, en het geloof. Iedereen kan die in het Nieuwe Testament lezen. Deze kerk was, wat haar uitwendige staat betreft, in de staat van de avond en daarna in die van de nacht, wat enerzijds tot haar einde leidde. Maar anderzijds was en is het het begin van een nieuwe Geestelijke Kerk in de mens die daarvoor ontvankelijk was en is. In de louter uitwendige Christelijke Kerk had de mens de uitwendige natuurlijke waarheden veranderd in valsheden. Dit moest/moet de mens als het ware uit zijn gemoed verwijderen, opdat de Heer een nieuw redelijke in hem kon/kan vormen.