Lezing over De vierde Staat van de Kerk in de Mens - Deel 4
door Ds. Paul Booth
Hier begon de staat van de dag van die Kerk als het ware over te gaan in de staat van de avond ervan, welke derhalve een duisterder staat was. Het licht was niet langer het daglicht, want toen begon de leer van Arius, waarin de Goddelijkheid van de Heer Jezus Christus geloochend werd, zich te verbreiden. Bovendien werd de Kerk en het geloof ervan steeds natuurlijker en zelfs zintuiglijk. Van die tijd af zagen de theologen van de Kerk geen echte waarheden meer, met andere woorden, zij verstonden het ware niet langer op redelijke wijze. Zij namen geen redelijke waarheden meer vanuit de Heer op. In plaats daarvan begonnen de leden van de Kerk, met name, de theologen, over leerstellige dingen te redeneren. De staat van de ochtend en die van het volle daglicht waren wat die Kerk betreft geëindigd. En haar leden begonnen de waarheden te verwerpen en een soort geloof aan te hangen dat verstoken was van echte liefde. Die Kerk wordt nu met al haar vertakkingen in algemene zin 'de Christelijke Kerk' genoemd. Maar de Kerken die daartoe gerekend worden, zijn slechts in naam Christelijk, want de leringen van de Heer zijn door hen vervalst en hun belangrijkste geloofsartikel is dat zij zichzelf de Verdienste van Christus toeschrijven en dat zij menen dat de Heer Jezus Christus éen van de drie personen van de drieëenheid is. Als het geloof echter het geloof is in God de Verlosser, omdat Hij God én Mens is, in de Vader is en de Vader in Hem is, en Hij en de Vader niet twee personen zijn, maar éen Persoon, is dat het zaligmakend geloof. Want de mens werd voor de eeuwigheid geschapen en voor de eeuwige verlossing van het boze, mits hij gaat leven overeenkomstig de in het Woord beschreven middelen ter zaliging.

Die Christelijke Kerk was niet werkelijk Chrístelijk. Ze was dat slechts in naam en haar leden meenden (en menen) dat geloof en zaligmaking hun toegerekend werden (en worden) vanwege de kruisdood van de Heer. Als men hierover dieper nadenkt, beseft men dat het hetzelfde is als aan een mens gerechtigheid toe te schrijven, omdat hij van mening is dat hij van zichzelf een rechtvaardig mens is. Hij is die mening toegedaan, omdat hij gelooft dat het de Werken van de Heer zijn die hem van het boze verlossen, zonder dat hij daar zelf als uit zichzelf iets toe bijdraagt. Want hij gelooft dat de dood aan het kruis van de Heer aan hem toegerekend zal worden, als hij slechts met de mond belijdt dat de Heer voor hem gestorven is en dat zijn eigen 'goede werken' een gevolg zijn van dat geloof en dat het niet een noodzakelijke voorwaarde is dat hij als uit zichzelf het boze schuwt en het goede doet. Het eerste is het geloof van die Kerk en dat geloof is als de ziel in het lichaam. En de leerstelligheden ervan zijn als de leden van dat lichaam. De Eerste Christelijke Kerk wist niets van de wederkerige verbinding van de Heer en de mens. Met andere woorden, zij geloofde dat de Heer en de mens met elkaar verbonden werden doordat Hij aan het kruis gestorven was en dat haar leden niets anders hoefden te doen dan te zeggen 'dat Christus voor hun zonden gestorven was'. En dat hun 'goede werken' daar op zichzelf niets toe bijdroegen en dat het dan ook niet noodzakelijk was dat zij zich door gehoorzaamheid aan de Geboden van de Heer voorbereidden op de opneming van nieuwe goedheden en waarheden. In plaats daarvan zeiden zij dat de mens geen vrije wil heeft in geestelijke aangelegenheden en dat zaligmaking of verdoeming enkel en alleen genade is. Daarom is er bij hen geen wederkerigheid of verbinding met God. En daardoor zijn geloof en toerekening bij hen éen en hetzelfde. Hun leer is dat God de Vader de gerechtigheid van de Zoon aan de gelovigen toerekent en dat Hij de Heilige Geest naar hen zendt om de uitwerking van die leer te bewerkstelligen. Een zodanige theologie bestaat slechts uit geloof, toerekening en verdienste. En die drie beginselen vormen in die Kerk een eenheid. Er wordt door haar godgeleerden beweert dat de rechtvaardiging en de verlossing bewerkstelligd worden door God de Vader, doordat de Verdienste van de Zoon, Jezus Christus, aan de gelovige mens wordt toegekend. Men gelooft dat dit bewerkstelligd wordt door niets anders dan genade wanneer en bij wie God de Vader dat wil. Dat is de oorsprong van de leer van de voorbeschikking of predestinatie, waarin de handelingen van de mens gedurende zijn leven niet van invloed worden geacht op zijn zaliging, maar alleen zijn geloof.

De middelen ter zaliging van de mens zijn, in algemene zin, waarheden en goedheden, dat wil zeggen, goed leven oftewel overeenkomstig de naastenliefde, en op de juiste wijze oftewel overeenkomstig hetgeen het Woord, en in het bijzonder het Nieuwe Testament, dus de Heer Zelf daar in leert, geloven. De Christelijke Kerk begon die waarheden te verwerpen doordat ze ze aan haar eigen redeneringen ging aanpassen. Haar geloof werd een vals geloof in drie goden, van wie elke god een andere persoon was. De ene noemde ze god de Vader, de tweede god de Zoon en de derde god de Heilige Geest. Zij geloofde derhalve niet in éen God in wie de Goddelijke Drievuldigheid is. In plaats daarvan verdeelde zij het Wezen en de Hoedanigheid Zelf van God. Dat geloof werd van primair belang in het leven van haar leden. Op den duur werd de echte naastenliefde, zoals zij in het Woord geleerd wordt, verworpen. Dat blijkt uit hun geloofsovertuiging en hun ideeën over de naastenliefde, waarin niets van de wezenlijke werken der naastenliefde is, welke zijn geestelijke nutten te verrichten uit liefde tot God en voor wat van God is. In hun zogenaamde naastenliefde is geen huwelijk of verbinding van het goede en het ware oftewel de liefde en het geloof, zoals die vanuit de Heer zijn en door Hem in het Woord geopenbaard zijn. En toch is het de verbinding van het echte goede en ware, die een geestelijk huwelijk is, welke de Heer in het bijzonder leerde, dat wil zeggen, dat het gebod der naastenliefde is: Elkander lief te hebben. De val van die kerk was een heel wezenlijke val, want zij werd steeds meer verscheurd door schisma's en ketterijen. Haar leden begrepen het Goddelijk Ware niet meer. In plaats daarvan beschouwden zij alle letterlijke waarheden van de uitwendige tekst van het Woord, zoals zíj die verstonden, als de enige waarheid. Dit leidde ertoe dat ze geen echte kennis oftewel geen werkelijke wetenschap hadden aangaande de Heer, met als gevolg dat zij het lijden van de Heer aan het kruis als de verlossing zelf gingen beschouwen. De drie wezenlijke dingen van hun geloof waren: De drieëenheid van god zijnde éen in wezen en drie in personen. Het lijden van de Heer aan het kruis als zijnde de verlossing zelf. En ten derde: Het geloof van de rechtvaardiging van de mens door de toerekening van de Verdienste van Christus, als hij gelooft dat Christus voor hem/haar aan het kruis gestorven is.

Het gevolg was dat die Kerk als het ware doorzeeft werd met ketterse dogma's en dat het ware licht nergens meer zichtbaar was. De Kerk was niet langer de ware Christelijke Kerk die de Heer gevestigd had. En tenzij er een ware Kerk is, kan er geen nieuwe Hemel en geen nieuwe aarde ontstaan waarover de Heer in het Boek Openbaring spreekt. Die nieuwe Hemel en aarde kunnen niet tot ontstaan komen, als de mens zijn overgeërfde en daadwerkelijke boosheden en valsheden niet steeds meer overwint.

De Heer stichtte de Eerste Christelijke Kerk door middel van Zijn discipelen. Maar in de loop van de tijd verviel ook die Kerk in boosheden en valsheden. Het was een nieuwe Kerk, niet behorende tot de Israëlitische en Joodse Kerk, die voornamelijk groter werd doordat Heidenen er toe gingen behoren. Maar zij kwam, net als vroegere Kerken, tot een einde. Men kan haar eerste staat die van de Primitieve of Apostolische Kerk, zien als de morgenstaat, waarna de staat van het volle daglicht kwam. In die staten leerde die Kerk de wereld berouw en geloof in de Heer God, de Verlosser. U kunt dat lezen in de Handelingen der Apostelen, waar in hoofdstuk 20 vers 21 staat: Betuigende beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus Christus. De staat of leeftijd van de zuigelingschap en die van de jongelingschap van die Kerk kwam tot een einde en de staat of leeftijd van de volwassenheid en de ouderdom kwam en daarmede het einde van die Kerk. Maar, zoals we weten, zijn de overblijfselen ervan nog steeds zichtbaar.

Dit alles gebeurde doordat zij de Goddelijke Drievuldigheid verdeeld had in drie personen. Waanzinnigheid was de gehele theologie van die Kerk binnengetreden. De oorzaak ervan was dat het gemoed van de mensen in verwarring gebracht was. Ze wisten niet meer of er éen God was of drie goden. Het gevolg was dat ze met de lippen konden zeggen dat er éen God was, maar met hun geest aanvaardden zij het als een feit dat er drie waren, zoals ook in de geloofsbelijdenis van Nicaea staat, waarin geleerd wordt dat men elke persoon afzonderlik als God en Heer moet belijden, maar niet drie Goden of drie Heren mag zeggen. Die Kerk ging de Heer de Verlosser steeds meer als de Zoon van Maria beschouwen en veel minder als de Zoon van God. En áls ze Hem zo noemden verstonden zij daaronder dat Hij van eeuwigheid aan geboren was. Iedereen die in het Woord het verhaal over de geboorte van Jezus leest, kan daaruit concluderen dat deze in de tijd plaatsvond en niet van eeuwigheid aan was. De Heer werd immers ontvangen van de Heilige Geest en dus geboren vanuit Jehovah de Vader door middel van de Maagd Maria. En dus niet slechts van eeuwigheid aan, maar ook in de tijd.

Dat heeft het verstaan van de mens zo zeer misleid dat begoochelingen en valsheden zijn gemoed binnenslopen. Men gelooft dat Christus door Zijn lijden aan het kruis de Verlosser werd, doordat Hij door dat lijden alle zonden van de mensheid wegnam. En dat al Zijn goede aan de mens wordt toegerekend, als hij dat slechts gelooft en met de mond erkent. De idee is dat god de Vader zijn Zoon (die naar men gelooft van eeuwigheid aan geboren is en niet in de tijd) op aarde zond om Hem voldoening te schenken. Die leer der toerekening heerst in die Kerk met als gevolg de leer van het geloof alleen, een geloof zonder naastenliefde. Die leer is niets dan het geloof in de toerekening van de Verdienste van de Heer oftewel Zijn goede aan de mens. Eerder hebben we gezien dat aan de mens gerechtigheid wordt toegerekend, als hij slechts gelooft dat dat gebeurt doordát hij dat gelooft. Dat is een geloof zonder naastenliefde op basis van een leven zonder daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de geboden van de Heer. Het is ook niet moeilijk te zien dat zo'n geloof alleen maar een geloof in naam is en geen echt Christelijk geloof. In die Kerk wordt de verlossing beschouwd als een verdienste van de Heer terwille van hen die tot die Kerk behoren.
| About |
Site Content Copyright 2001 by The Lord's New Chapel All Rights Reserved
Site Concept and Creation Copyright 2001 by Stealth Media Solutions All Rights Reserved