Lezing over De vierde Staat van de Kerk in de Mens - Deel 2
door Ds. Paul Booth
Laten wij nu het einde beschouwen van de uitwendig historische Kerk. Boosheden en valsheden waren door middel van zijn zintuigen de mens binnengekomen, hadden de macht gegrepen en heersten nu over de mens. Beziet u het zo: de mens is niet meer dan een vat waarin het leven van de Heer - Zijn liefde en wijsheid - kunnen invloeien. Zij kunnen hem vervullen en hem zodoende het leven geven in plaats van de (geestelijke) dood. De mens kon (en kan) echter niet werkelijk mens worden en naar het beeld en de gelijkenis van de Heer geschapen worden, als hij niet in vrijheid kon (en kan) denken, willen en handelen.

Dat betekent dat de mens ook in de derde staat van de Kerk in staat moest zijn om te kiezen tussen wat vanuit de Heer goed en waar is en wat uit zijn zelf boos en vals is. Hij moest kiezen tussen de Heer en zijn zelf. U kunt begrijpen waarom de mens de staat van kinderlijke onschuld moest verlaten, net zoals vergelijkenderwijs ieder kind moet opgroeien en niet langer afhankelijk moet zijn van zijn ouders. In dat proces moet hij andere lessen leren. De Kerk in de mens, en dus de mens, moest nieuwe waarheden leren, die zijn ouders (de 'oude Kerk') hem niet konden leren, omdat zij zich ervoor afgesloten hadden. Hij moest die waarheden als uit zichzelf leren opdat hij een beeld en gelijkenis van God zou worden. Het is een proces dat in ons allen moet plaatsvinden, zowel op natuurlijke als op geestelijke wijze. Het is het vermogen van de rede dat zich in hem ontwikkelt. De nieuwe redelijke waarheden ontvangt hij van binnenuit vanuit de Heer. Hij moet echter als uit zichzelf die waarheden leren en als het ware op eigen benen gaan staan en het goede ervaren dat ervan komt. De mens kan overeenkomstig de waarheden vanuit het Woord van de Heer of overeenkomstig de boosheden uit de hel leven. Hij moet kiezen tussen de Heer en zijn zelf. De waarheden vanuit het Woord van God, die hij gehoorzaamt, hebben een uitwerking ten goede op zijn leven, want vanuit de Heer wordt binnenin hem een nieuw redelijke gevormd. Maar als hij uit zijn zelf leeft, beïnvloedt dat zijn zelfliefde ten kwade. Hij kan echter kiezen. Dat is zijn geestelijke vrijheid.

Bij het einde van iedere staat van een Kerk in de mens ontstond uit de overblijfselen een nieuwe staat, met andere woorden uit de waarheden vanuit de Heer die bij hem overgebleven waren, ontstond een nieuwe Kerk. De valsheden, waarvan hij dacht dat het waarheden waren, werden verwijderd en de boosheden werden onderworpen, zodat ze niet langer konden heersen. De mens leefde toen in een louter natuurlijke staat vanwege zijn eigenliefde. Het geestelijke, en daarvoor het hemelse, waren in de mens gesloten, zodat hij de waarheden die zijn natuurlijk gemoed binnenkwamen, niet kon ontwijden. In de derde staat van de Kerk, de natuurlijke staat, moest de mens voorbereid worden op de Komst van de Heer Zelf, opdat hij met Hem verbonden zou kunnen worden. Dat zou de Vierde Kerk worden. Het is duidelijk dat een mens door wat van hemzelf is, door zijn eigene, niet met de Heer verbonden kon (en kan) worden, maar daardoor juist van Hem gescheiden was (en is). Het was de tijd van de verwoesting van het boze en valse bij de mens.

Het is noodzakelijk dat we inzien dat dat op zichzelf niet een zeer ernstige gebeurtenis is, want het was niet de bedoeling van de Heer dat het leven van het boze dat van de mens zou zijn. Daarvoor had God de mens niet geschapen. Dat was het soort leven dat geheerst had en dat moest eindigen. Het leven van zo'n mens is een leven zonder de Heer, zonder enig ware en zonder enig goede. Denk eraan: de Heer ís het leven en het leven is van de Heer. De mens neemt het leven slechts op. Tenzij er een verbinding is van de mens met de Heer, heeft de mens geen echt leven. Het Woord leert ons zelfs dat een zodanig leven zonder de Heer de (geestelijke) dood is. En het leven dat in de mens is zonder het ware vanuit de Heer, is slechts schijnbaar een leven en niet het echte leven. Het schijnt de mens echter toe dat hij zelf leeft. Toen de boosheden en valsheden bij de mensheid gingen overheersen, kwam de Heer op aarde en werd Hij als mens geboren. Toen konden de boosheden en valsheden Hem, net als iedereen, aanvallen. Maar de Heer overwon ze en zegevierde over ze. De Heer kwam dus in de natuurlijke graad van de mensheid wonen, net als Hij eertijds in de hemelse graad bij haar woonde. Maar Hij woont alleen in het geestelijke bij de mens, want het is het geestelijke dat vanbinnen regeert over het natuurlijke. Op die manier regeert de Heer in de mens. Als mens, levend op deze aarde, ging de Heer door dezelfde staten waar ieder mens doorheen moet gaan, opdat de ware Kerk zich in hem kan ontwikkelen, hetgeen bij de Heer ook werkelijk gebeurde.

Dit brengt ons tot een nieuwe staat van de Kerk op aarde en in de mens - die van de Christelijke Kerk. In de vastgestelde Orde is ze het laatste van de ontwikkeling van de Kerk. Dit einde heet de staat van de nacht bij de mens. Wij spreken hier over de vierde Kerk en de vierde staat van de Kerk in de mens. Ze gaat vooraf aan de vijfde en laatste staat, die van de Kroon van alle Kerken, welke nu op aarde en in de mens gevestigd wordt. In die vierde staat werden (en worden) de boosheden en de daarbijbehorende valsheden tot voltooiing gebracht. Een zodanige Kerk bij de mens is geen echte Kerk. Zij komt tot een einde als er vanuit de Heer een nieuwe Kerk kan worden opgericht. De Heer God Zelf vestigde deze vierde staat van de Kerk op aarde. De mens zou niet langer zonder de Heer leven zoals dat het geval geweest was in zijn geestelijke en natuurlijke staat. De Heer was op aarde gekomen en Hij had de mensen echte waarheden onderwezen. En de mensen konden verlicht worden, zodat ze die waarheden zagen. En zij die de Heer Jezus Christus volgden kregen de naam van 'Christen'.

Het restant van de Israëlitische en Joodse Kerk, van diegenen die enig goede en ware hadden, in wie op zijn minst enig goede der naastenliefde was, ging de Eerste Christelijke Kerk vormen en door haar werden bepaalde Heidenen lid van de Christelijke Kerk. Het enige goede dat die Eerste Christelijke Kerk had, was het natuurlijke goede dat voortkomt uit het oprechte verlangen de Geboden te gehoorzamen. Net als alle eerdere Kerken op aarde, dat wil zeggen, net als alle staten van de Kerk in de mens, was haar begin de morgenstaat; ze begon haar opkomst met de liefde tot de Heer en de naastenliefde jegens de Naaste. In de loop van de tijd werd zij, net als de Kerken die er voor haar geweest waren, onderwezen over wie de Heer is. Dat was de staat van de dag of het licht. Dan volgde de neergang ervan, die de avond of de staat van de verwoesting was - de natuurlijke staat - en ten slotte kwam zij in de vierde staat, die van de nacht - de voleinding ervan. En toen werd er weer een Nieuwe Kerk in de mens opgericht.

Laten we beginnen met de morgenstaat ervan - de opkomst van de Christelijke Kerk. De opkomst van deze nieuwe Kerk, die de Christelijke genoemd wordt, wordt de Primitieve Kerk genoemd en wordt soms aangeduid als de Kerk van de Heidenen. Deze nieuwe Kerk begon met Heidenen die van goeden wille waren. Dat betekent dat zij ontstond uit nieuwe goedheden en waarheden. Die goedheden en waarheden konden niet meer in de vorige Kerk tot ontstaan komen, want die Kerk had de Heer verworpen. De Heidenen die ontvankelijk waren voor Zijn goede en ware, hadden Hem echter niet verworpen, want zij waren in het natuurlijke goede. De Israëlitische en Joodse Kerk was afgeweken van de Geboden. Er was geen echt geloof meer bij haar, want - zoals we gezien hebben - de Geboden waren niet langer gezaghebbend in die Kerk, maar zij verwierp ook de Heer Zelf.
| About |
Site Content Copyright 2001 by The Lord's New Chapel All Rights Reserved
Site Concept and Creation Copyright 2001 by Stealth Media Solutions All Rights Reserved