Dit is de vierde lezing in een serie over de ontwikkeling van de Kerk in de mens. Wij hebben die ontwikkeling kunnen zien in de verscheidene Kerken die er op de aarde geweest zijn. Er is een Goddelijke Orde in al wat geschapen is en dus ook in de ontwikkeling van de Kerk op aarde en van de Kerk in de mens zelf. In die Orde bevindt zich de verbinding van de Heer met de mens en van de mens met de Heer. Die verbinding kan ook gezien worden in het huwelijk van het goede en ware in het gemoed van de mens. Ze manifesteert zich in het huwelijk van éen man met zijn vrouw en van éen vrouw met haar man. Heden ten dage is dat een voorbeeld om naar te leven het Goede en Ware van God met elkaar verbonden, de verbinding van de wil van de echtgenote met het verstand van de echtgenoot. Deze Goddelijke Orde kunnen wij in het leven van de mens zien. Ze is zoals de jaargetijden of zoals de perioden van een dag, morgen, middag, avond en nacht. In de voorgaande lezingen over de Kerken die op aarde werden opgericht werd de Staat van de Morgen gezien als de hemelse staat waarin de Heer Tegenwoordig was bij de mens in diens binnenste oftewel zijn ziel. Dit kan uitgebeeld worden als een onschuldige zuigeling die alles nog moet leren en die geheel afhankelijk is van zijn ouders. In een zodanige staat werd de Kerk in de mens ingesteld doordat hij een perceptie vanuit God kreeg van wat goed en waar was. Het weten kwam toentertijd of in die staat direct vanuit God tot de mens, dat wil zeggen, rechtstreeks, want God was en is tegenwoordig in de ziel van de mens. U begrijpt vanzelfsprekend dat de ziel van de mens niet stoffelijk is, maar hemels en geestelijk, aangezien zij rechtstreeks vanuit God is. In die staat spraken de Heer en de Engelen als het ware van aangezicht tot aangezicht met de mensen. Dit was, zoals ons geleerd is, het hemelse van de mens en de Morgenstaat van de Kerk op aarde, dat wil zeggen, van de Kerk in de mensen.
Vervolgens werd de Oude Kerk op aarde gesticht. En de staat van het geestelijk leven oftewel de middag ontwikkelde zich, want die van de morgen was geëindigd. Deze hemelse staat was geëindigd doordat de mens een eigen leven wilde leiden, net zoals jonge mensen de wereld in willen trekken of op zichzelf willen gaan wonen. De mensen leefden in die geestelijke staat eerst overeenkomstig de goedheden en de waarheden die zij in hun geheugen opgeslagen hadden. Deze konden zij in hun herinnering oproepen, en daarnaar handelen, dat wil zeggen, dienovereenkomstig leven. Op die manier kon hun leven nog steeds als het ware van binnenuit komen. De mensen konden als het ware uit zichzelf leven, hoewel ze in werkelijkheid vanuit de Heer leefden. Het goede en ware kwam toen langs een uitwendige weg tot hen, dat wil zeggen, door middel van hun zintuigen, en niet langer van binnenuit oftewel door middel van percepties die vanuit de Heer waren. De mens was niet langer in een staat van onschuld. Zijn geestelijke ontwikkeling was verder gegaan en was nu in de staat van de jongeman, dus in de bloei van zijn leven. Hij werd inzichtsvol, want hij was een geestelijk mens. Hij leerde de overeenstemmingen tussen de geestelijke en de natuurlijke dingen. De waarheden die hij leerde waren echte waarheden en niet langer verschijningsvormen van het ware. Hij kon als het ware uit zichzelf niet alleen wéten wat goed en waar was, maar hij kon dat goede en ware ook erkennen en leven in de naastenliefde. Daarom betekent op geestelijke wijze leven met inzicht leven. De leer van de Oude Kerk was dan ook die van de Naastenliefde. De geestelijke mens leefde als het ware in het midden van de dag. Hij kon oorspronkelijk begiftigd worden met inzicht, dat wil zeggen, met echte waarheden vanuit de Heer, waarheden die door de mensen van de Oudste Kerk waren verzameld. Die waarheden werden hem onderwezen en hij leerde ze, maar ze kwamen niet van binnenuit tot hem, zoals vroeger bij de hemelse mens door middel van percepties, maar van buitenaf. In deze mens kon zich een geweten ontwikkelen dat hem als het ware tot het leven vanuit de Heer kon leiden. Hij kon uit het Woord weten wat goed en waar was. Maar net als de mens van de Oudste Kerk werd de mens van de Oude Kerk afvallig van de Heer en Zijn leringen. Hij wilde steeds meer zelf zijn leven regeren; zijn eigene (proprium) heerste steeds meer over hem en hij had zichzelf en de dingen van de wereld, zoals rijkdom, aanzien, macht, enz. steeds meer lief.
Toen werd de derde staat van de Kerk gesticht en kwam de natuurlijke staat ervan in de mensheid tot ontwikkeling. De mensheid, die in de geestelijke staat had geleefd, leefde nu geheel in de natuurlijke staat. Zowel de hemelse graad als de geestelijke waren bij de mensen gesloten, want zij hadden de Heer verworpen. Zelfs de Komst van de Heer bij de mens door middel van het Woord werd niet meer opgenomen, want de mensen gingen geheel voor zichzelf leven. Ze ontwijdden de waarheden die hun geleerd waren en vervalsten ze. En wat goed was maakten ze boos (slecht). In de letter van het Woord, dat nog steeds bij hen was, zagen ze slechts verschijningsvormen van het ware. De geestelijke betekenis ervan zagen ze niet meer. Bovendien waren de percepties van de mens die in de hemelse staat leefde, en de wetenschap van de overeenstemmingen van de mens die in de geestelijke staat leefde, die deze mens kon leren en daardoor kon weten wat echte waarheden waren, voor de mensheid verloren gegaan. Deze staat van de mensheid wordt in het Woord de avond genoemd. Ze was een staat van de verwoesting van het goede en ware. We zien dat in de derde Kerk, die de Israëlitische en Joodse Kerk was. De mensen konden de waarheden niet langer weten zoals ze werkelijk waren, maar kenden ze slechts als verschijningsvormen van het ware. En ze konden de goedheden des levens die hun vanuit de Heer geboden werden, niet langer opnemen, behalve als louter natuurlijke goedheden. Het zelf van de mensen, dat wil zeggen, hun eigene heerste over wat geestelijk bij hen was en dat was een gevangene van hun verdorven natuurlijke geworden. Enerzijds had de Kerk in de mens zich voorzover ze van hem afhing, van God afgekeerd, maar anderzijds ontwikkelde de Kerk vanuit de Heer die ook in hem was zich verder in de richting van de staat dat de mens waarlijk tot een beeld en gelijkenis van de Heer kon gemaakt worden. Wat van de Heer was kon zich nog altijd in Zijn hoedanigheden verheugen. Naar de schijn viel de mensheid enerzijds steeds verder van de verbinding met de Heer en de Hemel af. Maar in werkelijkheid ontwikkelde de ware mens zich anderzijds in de eerdere staten van de Kerk - de hemelse en de geestelijke - en nu in de natuurlijke naar de staat waarin de ware Kerk binnenin hem de Kroon van alle Kerken zou worden. De mens werd er in deze natuurlijke staat op voorbereid dat de Heer tot hem zou komen en dat hij door Zijn liefde en wijsheid met Hem verbonden zou worden, zodat hij éen met Hem zou worden. Het boze en valse bij de mens moest verwijderd worden en de overblijfselen bij hem, die hem op verborgen wijze door de Heer waren ingegeven, moesten zijn nieuwe leven worden, doordat het leven van zijn zelf als het ware door hemzelf verwijderd werd. Net als de Kerken die er voor deze Kerk waren, was de uitwendig natuurlijke staat van de mens geëindigd en werd er door de Heer een nieuwe Kerk opgericht door welke er weer verbinding was met Hem en de Hemel. Als de goedheden en waarheden daarvan gehoorzaamd werden, manifesteerde zich dat in een nieuw natuurlijk goede.
In de derde staat van de Kerk op aarde - de natuurlijke of de Israëlitische en Joodse Kerk - ontwikkelde zich innerlijk het echte natuurlijke leven van de mens en kwam het leven van het eigene van hem tot een einde. De derde staat van de Kerk in de mens is die van zijn voorbereiding op de Komst van de Heer. Niet alleen die welke historisch op de aarde geschiedde, maar ook die in de mens zelf. De Heer komt tot de mens en wordt met hem verbonden in zijn natuurlijke staat, als de mens het Hem mogelijk maakt in plaats van de hellen in zijn gemoed te regeren. Dat is de vierde staat van de echte Kerk bij en in de mens. Het was historisch en is in ieder mens een nieuw begin van de verbinding van de mens met de Heer en de Hemel. Deze ontwikkeling is die van de Goddelijke Orde in de schepping, en in ieder mens. Ze is de staat van de avond in het leven van de mens.