Lezing over de Stichting van de Kerk bij de Mens of de Inwendige Tegenwoordigheid van de Heer, bekend als de Oudste Kerk
door Ds. Paul Booth
Als men heden het verhaal uit Genesis over Adam en zijn vrouw Eva en alle andere personen daar leest, in het kort de vier eerste Boeken van Genesis, realiseert men zich niet dat dat verhaal in werkelijkheid gaat over de stichting van de Oudste Kerk op aarde. De mensheid kon genieten van het leven, zoals de Heer wil dat wij ervan genieten. Met de Hof van Eden werd de wijsheid en het inzicht van de mens van de Oudste Kerk bedoeld en met het eten van de Boom der Kennis van het goede en het boze wordt het einde van die Kerk bedoeld. U zult zien dat het de eigendunk van hun eigen inzicht was die de oorzaak was van hun val.
Laten we dus beginnen met enige premissen te stellen die we moeten aannemen als we geloven dat het Woord het Ware is dat bedoeld is om ons naar een toekomstig leven in de Hemel te leiden. In de eerste plaats dat de Heer (God) het Goede Zelf en het Ware Zelf is, dat wil zeggen, dat Hij de Liefde en de Wijsheid is. Geen enkele hoedanigheid van de Heer is geschapen of gemaakt, dus ook niet de twee hoedanigheden dat er slechts éen God is en dat Hij Goed en Waar is. Wat schenken deze hoedanigheden buiten Zichzelf aan de Mensheid? Het leven. Maar het leven is uit de Heer, net zoals de hoedanigheden liefde en wijsheid uit Hem zijn. Binnenin de Mensheid zijn het goede en het ware, dat uit de Heer is. Wij zijn de vaten die deze hoedanigheden opnemen, en, als zodanig, nemen wij het leven op uit de Heer. Kortweg, God kan niet nog een God scheppen; de hoedanigheid van liefde en wijsheid het Goddelijk Esse en Existere (Zijn en Bestaan) kan niet verdeeld worden. Het wezen van de liefde is anderen buiten zichzelf lief te hebben. Hieruit kunnen wij inzien dat de liefde en de wijsheid uit de Heer voortvloeien of voortgaan. Deze vormen een natuurlijke manifestatie van al het leven, zoals de plantengroei (grassen, bomen, hun vruchten), de dieren (de dieren des velds, de wilde dieren, de vogelen des Hemels) en de mens zelf, die de hoogste perfectie van het leven is, zowel ten aanzien van zijn uitwendige als van zijn inwendige, zijn natuurlijke als zijn geestelijke. Aldus werden zowel de fysieke of natuurlijke Hemel en aarde als de geestelijke of inwendige wereld geschapen.
Maar wat in de inwendige zin werkelijk bedoeld wordt is de vorming van de Kerk bij de mens. Alleen de Heer is Mens. Wij zijn 'een soort mens' en dat dan nog alleen als die hoedanigheden het goede en het ware uit de Heer in ons zijn en op gunstige wijze op ons inwerken. We zijn, nogmaals, vaten voor het leven des Heren, voor het hemelse, geestelijke en natuurlijke leven. Wat wij in het eerste hoofdstuk van Genesis kunnen zien, is een proces van de formering van de mens naar het beeld en de gelijkenis van de Heer. Nadat hij/zij naar dat beeld en naar die gelijkenis is geformeerd, heet hij/zij mens.
In het eerste Hoofdstuk van Genesis wordt gehandeld over de wederverwekking van een mens. Voor de stichting van de Oudste Kerk bij de mensheid, waren de dingen die eigen waren aan 'de mens', niet de dingen des Heren. De mens was als een 'woest en ledig' vat. De mens was in duisternis, en zonder de goedheden en waarheden van de Heer. Hij was in feite verstoken van alle inzicht en onwetend van de dingen des Heren, dus van alles wat hemels en geestelijk is. Toch was er in de mens voor de stichting van de Oudste Kerk, hoewel afgezonderd, iets wat in hem werkte om hem weder te verwekken, iets wat hem vormde en tot een hemels mens maakte terwijl hij nog op de aarde was. Om dit te verduidelijken moeten we weten dat wat hier bedoeld wordt, is dat de mens een hemels leven zou ontvangen. Dat is waarop Christenen heden ten dage zinspelen als zij spreken over 'wedergeboren worden'. De woorden In den beginne schiep God de hemel en de aarde (Genesis 1: 1) hebben een inwendige betekenis. We kunnen zeggen dat de 'Hemel' die geschapen werd, het inwendige van de mens is en de 'aarde' zijn uitwendige, het geestelijke en natuurlijke van de mens. We hoorden dat het uitwendige van de mens 'woest en ledig' bevonden werd, net zoals de grond woest en ledig is als er geen zaad in gezaaid is. Het zaad dat in een mens gezaaid moet worden, is het goede en het ware des Heren. U kunt inzien waarom een mens in dit stadium ten aanzien van geestelijke dingen geheel en al stompzinnig is en volkomen onwetend van de dingen des geloofs in de Heer of enig leven uit de Heer, zoals de gehele natuur, de dieren en de planten. Het is de Geest Gods die op de wateren zweeft, hetgeen het voortgaand goede en ware in de mens betekent. Dit wordt duidelijk als we lezen dat het Woord dikwijls de term 'water of wateren' gebruikt in de betekenis van het ware, en dat met (de oppervlakte van) de afgrond (Engels: the face of the deep) de hoedanigheden van de Heer aangeduid worden, het goede en het ware, barmhartigheid en genade. Hieruit zien we dat deze hoedanigheden, die in de mensheid invloeien en een mens kunnen bewegen (ontroeren), zodat hij tot een vat ervoor wordt, hem, als hij ze opneemt, tot een beeld en gelijkenis des Heren maken. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren (Genesis 1: 2).
Uit wat er tot dusverre is uitgelegd zien we dat het eerste om het Woord te verstaan is dat er een overeenstemming is tussen de dingen van de Hemel en de dingen van de wereld oftewel tussen inwendige en uitwendige dingen, tussen geestelijke en natuurlijke dingen. En het eerste dat het Woord ons leert is dat de Heer door middel van Zijn Geest in de mens wil werken met die goddelijke hoedanigheden van het goede en ware, opdat Hij hem tot een opnemend vat kan maken, waardoor hij tot Zijn beeld en gelijkenis wordt geformeerd. Dat zijn de dingen die eigen zijn aan de Heer en die bij de mens van de Heer zijn. Deze moeten onderscheiden worden van de dingen die eigen zijn aan de mens, de dingen van het lichaam en van de wereld, welke dingen tot het uitwendige van de mens behoren. Welke zijn die dingen van de Heer in de mens? Het Woord noemt ze 'overblijfselen', die de 'erkentenissen' of de kennis van een innerlijker soort zijn bij een mens, niet wetenschappelijke kennis, maar kennis betreffende het geloof - het zijn dingen die hij geleerd en in zijn innerlijk bewaard heeft. Overblijfselen zijn de goedheden en de waarheden des Heren in een mens. Ze zijn van de Heer, maar de mens kan ze benutten als hij de tweede staat van zijn wederverwekking heeft bereikt. De dingen des Heren heten in het Woord 'overblijfselen'. In de inwendige mens zijn de overblijfselen, die door de Heer bewaard worden tot deze tijd en om deze reden, welke is als de dingen die het eigene van de mens uitmaken, tot rust komen en als het ware sterven (zie Hemelse Verborgenheden 8).
Laten wij, voor ik u ga uitleggen wat de Oudste Kerk is, beginnen met te horen hoe de Heer de mens formeerde en toen hij geformeerd was te zien dat de Kerk binnenin hem was. Dit wordt niet onthuld door de letterlijke tekst van het scheppingsverhaal; deze vertelt niet hoe de Heer zijn Kerk bij de mens vestigde. Zoals we reeds zeiden, betekent de Hemel het inwendige en de aarde het uitwendige van de mens en hieruit verstaan we dat de mens geschapen werd met zowel een inwendige als een uitwendige. De zes scheppingsdagen, waarover in het eerste hoofdstuk van Genesis gehandeld wordt, beschrijven in werkelijkheid de vernieuwing of restauratie van een mens, zijn wederverwekking.
Wat is eigen aan de mens en wat is eigen aan God? Aangezien met de aarde het uitwendige van de mens bedoeld wordt, kunnen we begrijpen dat wat eigen is aan de mens bedoeld wordt met de woorden woest en ledig, en duisternis was op de aangezichten des afgronds (Genesis 1: 2). Al die dingen die de mens door de Heer heimelijk ingegeven worden, moet hij leren kennen en erkennen. Vanaf het eerste begin van dit proces wordt ons geleerd dat de Geest Gods erin werkte, zoals het ook heden ten dage het geval is bij allen die op aarde geboren worden. Het doel oftewel het nut van goedheden en waarheden is dat een mens tot een beeld en gelijkenis van de Heer wordt gemaakt. Waarover we hier spreken is de aangezichten van de wateren of de afgrond. In de natuurlijke zin schijnt het dat God dingen schiep, zoals het licht, het droge land of de droge grond, de vogelen des hemels en iedere levende ziel die kruipt, en zelfs de wilde dieren. En in de natuurlijke zin maakte Hij de mens, hoewel hij pas 'mens' genoemd werd toen hij naar het beeld en naar de gelijkenis van de Heer was gemaakt. In zichzelf waren het slechts die dingen, de goedheden en waarheden, al het goede der liefde en alle waarheden des geloofs, waarvan zij een perceptie hadden dat ze uit de Heer waren, welke 'mens' genoemd werden. Deze worden alle in de zes scheppingsdagen genoemd. We hebben al gezegd dat dit in werkelijkheid de wederverwekking van de mens betekende. In de inwendige zin betekenen ze dus iets heel anders. Om een voorbeeld te geven: Het kruipende gedierte dat de wateren voortbrachten betekenen de natuurlijke kennis die tot de wereld en de uitwendige mens behoort. De vogels zijn in het algemeen de redelijke en verstandelijke dingen die van de inwendige mens moeten worden. Het zijn hoedanigheden van de Heer. Al die dingen behoren tot het verstand van de mens. De dieren des velds en de wilde dieren zijn de dingen die van de wil zijn en zijn de aandoeningen. De wilde dieren beelden de aard van de zinnen van de natuurlijke mens uit.
Deze lezing handelt niet alleen over de Oudste Kerk als zodanig, maar ook over elk afzonderlijk mens in die Kerk en dus over de Kerk binnenin ieder persoonlijk. We hebben het erover gehad dat de Heer in feite de enig ware Mens is. Aangezien dit zo is, verschijnt Hij noodzakelijkerwijs aan de mens als Mens. Het geloof dat we ons als uit onszelf moeten eigen maken, is niet het geloof in een onzichtbare God. De Heer sprak van mond tot mond met hen die van de Oudste Kerk waren. Zij erkenden geen ander geloof dan de liefde zelf tot de Heer. Zij waren Hemelse mensen en een Hemelse Kerk, en derhalve waren zij inwendige mannen en vrouwen. Zij zagen weliswaar de uitwendige dingen met hun fysieke ogen, net als wij, maar ze dachten dan alleen maar aan de dingen die ze uitbeeldden. Het voorwerp zelf was niets voor hen, behalve dat het hen in staat stelde na te denken over inwendige dingen, over Hemelse dingen en over de Heer. U kunt daaruit inzien dat zij zich uitdrukten in aardse en wereldse begrippen en dat die uitbeeldingen waren van de geestelijke en hemelse dingen waaraan ze dachten. Daarom schreef Mozes in het Boek Genesis tot aan Abram geen historische verhalen, want de natuurlijke dingen beeldden goede en ware dingen uit, oftewel de liefde en wijsheid van de Heer. In de belangrijkste periode van de Oudste Kerk brachten de natuurlijke dingen de mensen in verrukking, omdat ze hun gemoederen openden voor de Heer.