De Mensheid: de Ontwikkeling van Gods Tegenwoordigheid - de Kerk - Deel 1
door Ds. Paul Booth
Inleiding: De bestudering van wat in het verleden gebeurd is, kan vaak belangwekkend zijn. Geschiedenis kan een belangrijke leermeester zijn. Hopelijk leren wij van de fouten die in het verleden gemaakt zijn en proberen we ze niet te herhalen. Kunnen wij echter werkelijk veranderen? Veranderen wij ooit wezenlijk? Kunnen wij betere naasten worden? Ik denk van wel, maar het spreekt vanzelf dat het onzerzijds moeite zal kosten.

Vanavond spreken wij over geschiedenis. Niet over natuurlijke geschiedenis, maar over de 'geschiedenis' van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. U weet misschien al dat ik lid ben van het Swedenborg Genootschap en u vraagt zich wellicht af wat Emanuel Swedenborg kan bijdragen aan het evenement van 'Kunst en Cultuur 2002'. Zijn vele zeer waardevolle bijdragen aan de gemeenschap kunt u lezen in Swedenborgs godsdienstige geschriften. Een van die onthullingen is een geestelijk-historisch verslag van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. Het is een verslag van de ontwikkeling van de mensheid in haar relatie met God. Deze geestelijke geschiedenis leest men niet in de letterlijke tekst van de Bijbel. Daar leest men slechts de geschiedenis van diverse volken en naties. In de godsdienstige geschriften van Emanuel Swedenborg staat deze geschiedenis wel te lezen. De ontwikkeling op geestelijk gebied wordt beschreven in vijf duidelijk omschreven staten die iedereen moet doorlopen om tot een werkelijk geestelijke relatie met God te kunnen komen.

De eerste staat van de mens heet 'de hemelse' Zij wordt in de eerste plaats gezien als de staat van 'de Oudste Kerk'. Swedenborg begint bij de aanvang van de schepping. Uit zijn boeken gaan wij weldra beseffen dat het leven van de mens begint in een staat die 'de Hemelse Graad' wordt genoemd, welke binnenin en vanuit het Goddelijke Zelf is. U begrijpt ongetwijfeld dat welke natuurhistorische studie men ook beoefent, ze nooit die Goddelijke Tegenwoordigheid zal onthullen en dat alle archeologische ontdekkingen dit begin van de schepping nooit zullen kunnen onthullen. Wel onthullen ze dat er een relatie was en is tussen de mens en de godheid. Met andere woorden, het leven van de mens houdt in hoge mate de verering in van een godheid.

En dus nam en neemt de religie een groot deel van het leven van de mensen in beslag. In de bestudering van wat religie eigenlijk is, ontdekt men wat boven of binnenin de natuurlijke historie is, en kan men de geestelijke ontwikkeling van de mensheid zien. We moeten daarvoor in de eerste plaats onze aandacht op het Woord van God richten; we moeten geloven dat God op de een of andere manier ook heden ten dage tot de mens spreekt en dat we Zijn waarheden kunnen overdenken. Wij zien die waarheden in verschillende godsdiensten, in hun dogma's of leerstellingen, in hun heilige Boeken en bij de Christenen in belangrijke mate in de Bijbel en in wat ons door anderen geleerd wordt over God.

De geschriften van Swedenborg leren ons dat God bij de schepping de mens als een 'hemels mens' maakte, die net als u en ik een natuurlijk lichaam had, maar als het ware vanuit God leefde. Wat betekent dat? Dat betekent dat die mens onmiddellijke gemeenschap en verbinding met God had. Hij wist uit perceptie (inwendige gewaarwording) wat goed en waar was. Hij had daarvoor een inwendig zintuig. Maar hij had een volkomen ander karakter dan de hedendaagse mens. Wij nemen niet waar door perceptie. Wij nemen waar door onze natuurlijke zintuigen. Wij hebben ons natuurlijk gezicht, ons natuurlijk gehoor, gevoel, de natuurlijke tastzin en smaak. Ons natuurlijke leven bestaat in onze uitwendige zintuigen. Door die bepalen we wat goed en waar is. Dat is vanzelfsprekend een subjectieve beoordeling. De relatie die de hemelse mens met God had, was direct en zijn groei of ontwikkeling was hemels en geestelijk. We lezen immers in het Woord dat God de mens naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis maakte. Want het doel van de schepping van de mens was per slot van rekening dat hij vreugde zou hebben in wat God behaaglijk is - datgene dat tot Zijn Liefde, Wijsheid en Nut behoort. We noemen dat de Hemel, de staat waarin we bij en met God zijn en genieten van Zijn Tegenwoordigheid in ons bewuste leven. Al die attributen gaan als het ware vanuit God voort en vloeien vanuit Hem in de mens in. Zij hebben de mens niet alleen geschapen, maar zij houden hem ook in stand. Ze zijn de basis voor het ware leven. Zoals we zeiden, begint dat proces in en met de hemelse graad van de mens, gaat het voort naar zijn geestelijke graad en eindigt het in zijn natuurlijke graad. Als het zo ver is, heeft de mens een nieuwe staat bereikt, waarin hij met God en de Hemel verbonden is.

De hemelse graad of staat. We beginnen met de geestelijke ontwikkeling van de mensheid, welke de staat van de Oudste Kerk was. De hemelse mens sprak, toen hij op aarde leefde, met God en de Engelen. Hij werd onderricht door middel van dromen en visionen. En als hij in gedachten was over de dingen die hij zo leerde, had hij een perceptie (inwendige gewaarwording) vanuit God en dan werd hij gewaar dat de dingen die om hem heen op aarde waren, leefden en dat alles wat hij zag, goed was. U zou kunnen zeggen dat zijn gemoed levend gemaakt werd door de liefde Gods. Gods attributen waren het leven binnenin hem. Zijn liefde was Gods Liefde en daaruit was zijn wil God te kennen, Zijn ware te leren, opdat hij ernaar kon leven. Hij liet dat blijken in zijn liefde voor God en doordat hij God wilde kennen door Zijn dingen te verstaan. Die twee hoedanigheden - liefde en wijsheid - die vanuit God voortgingen, gingen het gemoed van de mens binnen - zijn wil en verstand - en vormden hem naar het beeld en naar de gelijkenis van God.

Tot een beter begrip van de innerlijke hoedanigheid (genius) van de hemelse mens dient het volgende. Het goede en ware in hem waren een eenheid en niet gescheiden, zoals heden ten dage. Gods Liefde of Goede komt tot uitdrukking in Zijn Ware of Wijsheid. Men zou kunnen zeggen dat de Liefde het wezen van de hemelse mens was en de Wijsheid zijn bestaan. De verbinding van Gods Liefde en Wijsheid in die mens wordt in de Boeken van Swedenborg de Kerk genoemd. Het gemoed van de hemelse mens, zijn wil en verstand, was een eenheid. De liefde was alles in hem. Zelfs zijn geloof was vanuit Gods liefde. De hemelse mens had, net als de Engelen, een inwendige en een uitwendige ademhaling. De laatste was een stilzwijgende.

U kunt dat op deze manier voor uzelf duidelijk maken. Tracht u zich in te denken in wat de ademhaling van een Engel is. Ze is niet te beschrijven. Maar we kunnen begrijpen dat we door middel van onze ademhaling geluid voortbrengen, met andere woorden, dat we spreken. De mens van de Oudste Kerk had op die wijze een geluidloze spraak. Hij had contact met anderen door middel van de ideeën die hij denkend vormde en zo had hij perceptie. Hij uitte zich zelden in woorden. U zou kunnen zeggen, zoals een zuigeling die de moederlijke liefde ontvangt, opgroeit en mettertijd gaat praten. Men gaat verstaan hoe de mens in verbinding was met de Hemel en de Heer. En men kan inzien dat zijn leven uit zijn innerlijk was vanuit de Heer. De hemelse mens wist dat het ware uit het goede of de liefde was, want wat werkelijk goed is, is waar. Zijn geloof was in feite vanuit die liefde. Nu is dat wat ons geloof betreft precies het tegenovergestelde. Ons geloof komt voort uit het ware dat we geleerd hebben.

Wat dit alles ons leert is dat het leven vanuit God is en van God is binnenin de mens. Op die manier beschouwd kan men zeggen dat de mens geschapen is om een vat te zijn waarin Gods Liefde en Wijsheid, Zijn Goede en Ware, opgenomen kunnen worden. In het begin nam de hemelse mens de liefde Gods en Zijn Wijsheid geredelijk op; hij eigende zich als het ware het Goede en Ware vanuit God toe. Dat was in hem het leven het hemels en geestelijk leven. Op die wijze werd de mens onderwezen en geleid. De goedheden en waarheden werden steeds weer als het ware in zijn hart en ziel, in zijn wil en zijn verstand, gegrift. Hieruit ontwikkelde hij de leer volgens welke hij leefde. U ziet dit in het verhaal van Adam die in de Hof van Eden geplaatst werd om die te bouwen en te bewaren. We spreken hier over de wil en het verstand van de mens. De Hof van Eden oftewel het Paradijs, betekende dus het gemoed van de hemelse mens, waarin goedheden en waarheden geplant werden en groeiden, waar de Tegenwoordigheid van God bewust beleefd werd.

De hemelse mens had, zoals ik al zei, een natuurlijk lichaam, net als u en ik. Hij kon aardse dingen met natuurlijke ogen zien en op grond van wat hij zag dacht hij aan hemelse en geestelijke dingen, dat wil zeggen dingen aangaande God en de Hemel. Aldus vloeide de liefde van de Heer in zijn wil, dat wil zeggen, door een inwendige weg binnenin hem en niet door een uitwendige weg door middel van zijn natuurlijke zintuigen. De mens had een geschreven Woord en de spreektaal niet nodig. De waarheden waren in zijn wil en verstand gegrift, dat wil zeggen, in zijn hart en ziel.

Er was een proces, een orde, waarin de mens hemels werd. Denk, om dit beter te verstaan, aan het feit dat de mens begint met een vat te zijn waarin alle dingen die eigen zijn aan God kunnen invloeien, net zoals een zuigeling die op de wereld komt, onderricht moet worden. Hij moet alles leren: eten, praten, en voor zichzelf zorgen. Hij is een leeg vat. En wat bij hem ingebracht wordt, vormt als het ware het kind. Voorzover het goede en ware dingen zijn, wordt het kind tot een beeld Gods gevormd; voorzover het boze en valse dingen zijn, maakt dat hem/haar niet tot een beeld van God. Mettertijd moet een kind, willen deze goedheden en waarheden van nut voor hem/haar zijn, ze gebruiken, dat wil zeggen, ernaar leven, want wat is liefde, als ze alleen uit woorden bestaat en niet uit daden?

Laten wij nu proberen dit proces, deze ontwikkeling van een mens beter te begrijpen. God wil, net als de ouders van een zuigeling, dat Zijn kind opgevoed en onderwezen wordt. Alles wat Hij hem/haar geeft, is goed. En hij leert hem wat waar is, opdat hij op zekere dag als het ware op zijn eigen benen kan 'staan' en in staat zal zijn voor zichzelf te zorgen. God weet wat dit vereist, net als ouders dat weten. Hij weet dat de mens iets moet hebben wat van hemzelf is. Swedenborg noemt dat iets: het eigene van de mens. Het is iets wat de mens bezit en wat van hem alleen is, iets wat hij het zijne noemt. Met andere woorden, dit eigene was nodig voor de mens om (geestelijk) op te groeien, om zich verstandelijk te ontwikkelen en wijs te worden, hetgeen het vermogen is om echt te weten wat goed en waar is en naar die kennis te handelen. De hemelse mens miste dit eigene. Hij moest zich ontwikkelen, groeien tot geestelijke volwassenheid. Met andere woorden, hoe wordt een mens waarlijk een mens naar Gods beeld en gelijkenis? Toen Adam in de Hof van Eden leefde, bracht de Heer verscheidene dieren naar hem om ze een naam te geven. Op die wijze moest de mens zijn onderscheiden natuurlijke neigingen leren kennen. Volgens het verhaal vond hij geen hulpe die als tegen hem over was. En God bouwde de rib die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw en bracht ze tot hem. Dit werd uitgebeeld door Adam en Eva als een echtpaar.

De mens mocht eten van de vrucht der bomen in de Hof van Eden. Hij mocht ze eten oftewel zich toeëigenen, dat wil zeggen, hij mocht goedheden en waarheden opnemen en zo op geestelijke en hemelse wijze groeien. Op die manier zou de Heer in de wil en het verstand van de mens wonen. We kunnen daaruit inzien dat zijn perceptie van de liefde voortkwam uit zijn wil binnenin welke God woonde. In het Woord heet dat de 'boom der levens'.
| About |
Site Content Copyright 2001 by The Lord's New Chapel All Rights Reserved
Site Concept and Creation Copyright 2001 by Stealth Media Solutions All Rights Reserved